Onwel tijdens een partij (3)
Auteur: Pieter de Groot
PrintDatum: 30-06-2012 19:00
De beslissing van de competitieleider
In de laatste ronde van de KNSB-competitie wordt een speler na drie en een half uur spelen onwel. Het is een ernstige, levensbedreigende situatie. Met spoed wordt hij naar het ziekenhuis gebracht. Er wordt rekening gehouden met een mogelijk overlijden. De overige teamleden zijn niet meer in staat hun partijen verder te spelen. De betrokken wedstrijdleider begrijpt dat, en ook de tegenstanders. Echter, de vraag rijst: wat moet de wedstrijdleider beslissen?
Dit is een vervolg op mijn eerdere artikelen:
Overzicht van aantekeningen
- Nieuwspoort 9 maart 2012
- De slechtste speler in de speelzaal
- Arbitrage is vorm van rechtspraak
- Het verzoek aan de adviseur-arbiters
- De grootmeester en de internationaal meester
- Het verbod het schaakspel in diskrediet te brengen
- Het aspect van de laatste ronde is niet van belang
- Keuze uit varianten
- Een klein experiment
- Arbitreren versus overspelen
- De beslissing van de competitieleider
- Niet profiteren van het voorval
- Tijdsduur nemen van beslissing
- Beroep bij de commissie van beroep
Nieuwspoort 9 maart 2012
1. Nieuwspoort 9 maart 2012
Het Internationaal perscentrum Nieuwspoort in Den Haag is dé plaats in het centrum van de landspolitiek waar parlementaire pers, politici, voorlichters en lobbyisten elkaar informeel ontmoeten.
Uit het Stan Huygensjournaal, De Telegraaf, 14 maart 2012

Strategen en denkers zijn er vaak weg van: schaken. Hoe toepasselijk was het dus om de viering van het 50-jarig jubileum van perscentrum Nieuwspoort af te sluiten op het schaakbord. Een flink aantal Poorters – zo heten de leden – kwam naar de Haagse sociëteit om het op te nemen tegen grootmeesters Bianca Muhren en Jan Timman.

Bij het artikel in de krant staat een foto van het schaakteam.

(toernooidirecteur Nederlands Kampioenschap Bedrijvenschaak 2012 dat
het ministerie van Veiligheid en Justitie organiseert op 29 september)
foto: Boy Frank
Daarbij had ik het geluk te zijn ingedeeld in de groep tegen wie Bianca Muhren het moest opnemen. Het prettige van Bianca was dat zij kalm langs de borden liep, zodat de spelers ruimschoots de tijd kregen na te denken over de juiste zetten. Jan Timman daarentegen draafde langs de borden. Al veel spelers dwong hij tot opgeven binnen twintig zetten. Binnen drie kwartier had hij iedereen verslagen, behalve één partij die hij verloor. De gezichten van de spelers drukten berusting uit: ‘Ach, ja, wat wil je? Je bent kansloos tegen Timman.’
Echter, Bianca was op dat moment nog aan alle borden bezig. Haar spelers kregen ruimschoots de gelegenheid goed na te denken. Eigenlijk zoals het hoort. Haar simultaan duurde vier uur. Alle spelers tegen Bianca genoten van hun partij. Aan hun gezichten kon je zien dat ze letterlijk verrukt waren. Niet alleen diegenen die hun partij hadden gewonnen of remise hadden gespeeld, maar ook zij die hadden verloren. Iedereen vond het een grote belevenis en een eer om een lange tijd gelijk op te gaan tegen een grootmeester. Daardoor werd schaken juist leuk. Precies wat het doel is: plezier in het spel. Het was een welbestede simultaan. Haar partijen waren een feest. En dus passend voor een 50-jarig jubileum.
Wit: Bianca Muhren (WGM, 2294)
Zwart: Pieter de Groot
Simultaan
Den Haag, Nieuwspoort, 9 maart 2012
1. d4 d5 2. c4 c5 3. Pf3 Pf6 4. dxc4 Da5+ 5. Pc3 dxc4 6. e3 Dxc5 7. Da4+ Ld7 8. Dxc4 Dxc4 9. Lxc4 e6 10. Ke2 Le7 11. Pb5 Pa6 12. Pe5 0-0 13. Pxd7 Pxd7 14. Td1 Pf6 15. f3 Pb4 16. e4 e5 17. Lb3 Pc6 (ik zag al de mogelijkheid van een dubbelpion) 18. Lg5 a6 (eerst het paard wegdrijven) 19. Pc3 Pd4+

![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 8 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 7 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 6 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 5 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 4 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 3 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 2 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 1 |
| a | b | c | d | e | f | g | h | ![]() |
20. Kf1 Pxb3 21. axb3 (een dubbelpion) Tfe8 22. Lxf6 Lxf6 23. Td6 Tab8 24. Pd5 Lg5 (ik wou geen dubbelpion, en Ld8 voelde niet goed) 25. Td1 b5 26. Td7 Ta8 27. Tc7 Tb8 28. g2 Ld8 29. Ta7 Te6 30. Td7 h7 31. Ke2 g5? 32. Pe3 Lf6 33. Pf5 Lg7 34. Tc1 Tf8 35. Tc1-7 Te6-e8 36. Td6 h5 37. Txa6. Wanneer Bianca bij mijn bord komt, leg ik mijn koning om, geef haar een hand en bedank haar voor de prettige partij.
Wat was mijn strategie? Gelet op mijn bedroevend lage Elo-rating had ik maar één doel: tot de vijftiende zet de stelling in evenwicht zien te houden. Toen ik dat doel had bereikt, verruimde ik dat steeds verder. Dus speelde ik voorzichtig. Ik keek nagenoeg alleen naar de mogelijkheden van Bianca, maar niet naar die van mij. Volgens een deskundige was mijn partij zelfs tot mijn 31ste zet in evenwicht. Ik denk dan ook met veel genoegen terug aan deze partij.
Wat ik hiermee wil zeggen is het volgende.
Stel, dat mijn partij op de 30ste zet moet worden gearbitreerd. Wat hadden de adviseur-arbiters van de competitieleider van de KNSB – de grootmeester en de internationaal meester – dan beslist, als ze niet wisten dat het ging om een partij van Bianca Mühren tegen mij? De adviseur-arbiters zien ongetwijfeld aanzienlijk meer in de partij dan ik er zelf in heb gezien, en ook ooit in zal zien.
En stel dat alle partijen die Bianca op dat simultaan heeft gespeeld op de 30ste zet worden gearbitreerd. Hoeveel partijen zullen de adviseur-arbiters voor Bianca gewonnen verklaren? En denkt u dat die uitslagen overeenkomen met de uiteindelijke uitslagen? Nee, de uitslagen laten grote verschillen zien. Zo bood John Pouwels (2072) op ongeveer de 45e zet remise aan, wat Bianca afwees. Een aantal zetten later gaf ze op. Uiteraard won Bianca heel veel partijen.
2. De slechtste speler in de speelzaal
De scheidsrechter is de slechtste speler in de speelzaal. Dit is niet mijn verzinsel. Ik citeer slechts instemmend de Duitse internationaal arbiter Markus Keller:

‘Seid gnädig zu den Schiedsrichtern! Man muss davon ausgehen, dass der Schiedsrichter der schlechteste Spieler im Raum ist …,’ Markus Keller
Als variant daarop kan men stellen dat de competitieleider de slechtste speler is in de competitie. Zo’n uitspraak is geen belediging. Het is slechts een feitelijke constatering waar niets mis mee is. Een scheidsrechter op een wereldkampioenschap voetbal is ook de slechtste speler in het veld. Aan een scheidsrechter, een competitieleider worden nu eenmaal andere competenties gesteld dan aan de spelers. En dat is maar goed ook. Anders konden we geen scheidsrechters of competitieleiders vinden.
Dat een scheidsrechter of een competitieleider ongeschikt is om te arbitreren is in de schaakwereld algemeen bekend. U kent hun dwaze arbitrages wel: K+P tegen K+P oordelen zij als geen remise, K+T tegen K+T idem, etc. Er was zelfs in het verleden een commissie van beroep die KA tegen KA verloren verklaarde voor de speler die door zijn vlag ging.
We moeten dan ook ons hart vasthouden als een scheidsrechter of een competitieleider overgaat tot arbitreren. Dat kan nooit goed aflopen.
3. Arbitrage is vorm van rechtspraak
Bij het tot stand komen van zijn beslissing heeft de competitieleider in de zaak HWP Haarlem 2 – Promotie het advies ingewonnen van twee anonieme adviseur-arbiters. Het enige wat de competitieleider bekend heeft gemaakt is dat zij grootmeester en internationaal meester zijn.
Het arbitreren van een partij – arbitrage dus – is boven alles een vorm van rechtspraak. Allerlei waarden en normen die gelden voor de behandeling van een bezwaarschrift bij de competitieleider hebben daarom reflexwerking op de adviezen van de adviseur-arbiters. Als zij onverhoopt een dergelijke norm schenden wordt dat toegerekend aan de competitieleider.
Vandaar dan ook dat de adviseur-arbiters volstrekt onpartijdig moeten zijn, en ook actief elke schijn van partijdigheid moeten vermijden. De adviseur-arbiters moeten integer zijn. Integriteit is tijdgebonden en voortdurend onderhevig aan voortschrijdend inzicht. Het laat zich moeilijk vangen in regels. Uitgangspunt voor een adviseur-arbiter is: ‘bij twijfel niet doen’.
Het beginsel brengt met zich mee dat de namen en de adviezen van de adviseur-arbiters openbaar zijn. Rechtspraak vindt namelijk in de openbaarheid plaats.
Omdat bij schaken een arbitragebeslissing een omstreden middel is, was het in het verleden een uiterste middel. Men zag in die tijd niet dat er alternatieven bestonden voor arbitrage. Men was namelijk nog gevangen in een min of meer culturele opvatting van onbeperkte tijdsduur van een schaakpartij. Men zag schaken ook als kunst en niet alleen als een wedstrijd. De mogelijkheid van arbitrage werd dan ook pas gebruikt na 80 zetten of wellicht nog meer. Bovendien wisten de spelers van tevoren dat arbitrage mogelijk was na bereiken van een bepaalde zet. Verder bestond de mogelijkheid van her-arbitrage.
Bij arbitrage gaat het erom welke criteria worden toegepast. Ik noemde dat al in mijn eerste artikel, waarbij ik schreef over mijn ervaringen van arbitrage bij jeugdschaak. Het zou geweldig zijn indien ervaren jeugdleiders in het land hierover handreikingen zouden geven. Want nu worstelen honderden jeugdleiders met dat probleem, en vindt letterlijk iedereen het wiel door schade en schande weer uit.
Aantekening 12 van dat artikel ging over de Reddersdriehoek. Ik gaf een voorbeeld van een beslissing van een arbiter, waarbij in Tijdschrift van de KNSB 1947 een oproep werd geplaatst aan de lezers wat zij zouden hebben beslist. Er reageerden vervolgens vijftig lezers. De uitslag was: niemand liet wit winnen, de helft liet zwart winnen, de rest meende remise, vgl. TvdKNSB 1947, blz. 143. Het laat zien hoe lastig arbitrage is.
4. Het verzoek aan de adviseur-arbiters
Op zich is er niets mis mee dat een competitieleider het advies inwint van een of meer deskundigen. Echter, dat moet wel in alle openheid gebeuren. De competitieleider mag geen geheime adviezen inwinnen. Uit het Voorwoord van de FIDE-regels:

‘In de FIDE-regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn.’
Voor de objectiviteit is het noodzakelijk dat de competitieleider in zijn beschikking de namen van de grootmeester en de internationaal meester had vermeld. Al was het maar om te kunnen verifiëren dat geen van hen banden heeft met HWP Haarlem of Promotie. Verder hadden de adviezen van de adviseur-arbiters als bijlage moeten worden opgenomen bij de beschikking.
In zijn beslissing had de competitieleider moeten aangeven dat hij de partijen en de stelling aan de adviseur-arbiters heeft gegeven zonder vermelding van de namen van de spelers en de naam van het team – dus absoluut anoniem. De adviseur-arbiters hoefden niet te weten in welke partij wie wit of zwart had.
Tot slot had de competitieleider moeten aangeven of hij de adviseur-arbiters de vrije hand heeft gegeven, of dat hij hen criteria heeft meegegeven waarop zij moeten letten. Bijvoorbeeld, stellingen met meer dan zoveel plus, of meer dan zoveel min zijn gewonnen of verloren, de rest is remise. Dat laatste had namelijk wel voor de hand gelegen.
Omdat dit alles onbekend is, is de beslissing van de competitieleider om procedurele redenen onjuist.
En dan komt de competitieleider er niet mee weg dat alleen hij de partijen heeft beslist, ‘gearbitreerd’. In dat geval is zelfs sprake van – openlijke – beïnvloeding door anderen. Dat mag niet, en is zelfs klachtwaardig. Daar staat een zeer zware straf op. Als de competitieleider zelf arbitreert moet hij geen adviezen inwinnen van adviseur-arbiters.
5. De grootmeester en de internationaal meester
Ook de grootmeester en de internationaal meester gaan niet vrijuit. Zij hadden moeten verklaren dat zij ongeschikt zijn om partijen te arbitreren van spelers rond de 2000 Elo. In wezen hadden zij moeten weigeren zich te laten spannen voor het karretje van de competitieleider. Ze hadden tegen de competitieleider moeten zeggen dat hij zijn probleem zelf moet oplossen. Zo moeilijk is dat vandaag de dag niet meer. Als de competitieleider wil arbitreren zijn er genoeg computerprogramma’s die hem daarbij kunnen helpen. Desnoods raadpleegt hij verschillende programma’s. Want of een computerprogramma arbitreert of een mens, maakt niet veel uit. Beide adviezen zijn toch arbitrair. Dat hadden de adviseur-arbiters tegen de competitieleider moeten zeggen.
Mijn advies is: kijk uit voor advisering aan de competitieleider bij geschilbeslechting. Want wat u doet, uw naam en uw gemotiveerd advies zijn altijd openbaar. Indien u dit niet wilt, laat u de competitieleider zijn probleem zelf oplossen.
6. Het verbod het schaakspel in diskrediet te brengen
De competitieleider heeft geen antwoord gegeven op de essentie van het bezwaarschrift van Promotie, namelijk dat artikel 12.1 van toepassing is, te weten dat voortzetting van de wedstrijd het schaakspel in diskrediet brengt. Sterker nog, de competitieleider heeft de bezwaargrond afgezwakt naar ‘de redelijkheid om niet verder te spelen.’
Mijn mening is dat in ieder geval op het moment waarop de speler met een ambulance vertrok, er sprake was van een situatie van artikel 12.1. Als dat artikel – zelfs – in deze zaak niet van toepassing is, waar zou dat artikel dan wel op kunnen slaan? Welk nut heeft dat artikel dan?
Ik denk dan ook dat het vertrekpunt voor een oplossing ligt in de vaststelling dat het gaat om een geval van artikel 12.1.
7. Het aspect van de laatste ronde is niet van belang
De competitieleider staat midden in de schaakwereld. Hij heeft het beste overzicht, overziet de verschillende belangen van alle betrokkenen. Zijn beslissing vormt jurisprudentie, wedstrijdleiders houden voortaan rekening met de beslissingen van de competitieleider. Ze hebben invloed op het denken van wedstrijdleiders en schakers. Een onjuiste beslissing zet vele wedstrijdleiders en schakers jarenlang op het verkeerde been. Het is te vergelijken met de opvatting van een beroemde grootmeester over een openingsvariant die hij verkeerd analyseert, en deze vervolgens publiceert. Later blijkt dat zijn voortzetting gewoon slecht is.
Voor een beslissing is het namelijk niet van belang in welke ronde het voorval zich heeft voorgedaan. Of de speler in de eerste, de tweede of de laatste ronde onwel is geworden doet er niet toe.
Daarbij komt dat de competitieleider juist wel rekening heeft gehouden met de laatste ronde. En dat is positief. Hij hield rekening met het algemene belang van de competitie. Op voorspraak van Promotie legde hij een voorstel voor een beslissingswedstrijd voor aan Sliedrecht en Promotie. Echter, Sliedrecht wilde daaraan niet meewerken. Ik zie dan ook niet goed wat een competitieleider meer had kunnen doen om rekening te houden met het bijzondere aspect van de laatste ronde dan hij heeft gedaan.
Vandaar dan ook dat de oplossing van het probleem geheel los moet worden gezien in welke ronde het voorval zich heeft voorgedaan. Zijn oplossing moet te gebruiken zijn voor elke ronde in de competitie.
8. Keuze uit varianten
Aan de volgende mogelijkheden (varianten) kan worden gedacht:
- het hervatten van de afgebroken partijen
- de afgebroken partijen verloren verklaren voor Promotie, onder het noemer van ‘pech hoort bij het leven’
- de uitslag van de wedstrijdleider handhaven
- de afgebroken partijen arbitreren
- overspelen van zes partijen
- overspelen van de gehele wedstrijd
(- een beslissingswedstrijd tussen Sliedrecht en Promotie).
Elke variant heeft zijn eigen bestrijdingslogica, zo schreef ik in mijn eerste artikel.
De pro en contra’s van deze varianten moeten op een rijtje worden gezet. Nu beperk ik mij tot twee. Promotie voerde aan het overspelen van de (gehele) wedstrijd, de competitieleider wees dat af en besloot tot arbitreren.
9. Een klein experiment
Ik heb een klein experiment uitgevoerd. Ik heb namelijk mijn partij tegen Bianca Muhren in aantekening 1, de zetten tot en met de 30ste zet van zwart voorgelegd aan een grootmeester en een internationaal meester. Onder verwijzing naar de zaak HWP Haarlem 2 – Promotie vroeg ik hen de partij te arbitreren. Ik gaf hen de partij zonder te vermelden dat het de partij van Bianca en mij was. Ik liet hen volkomen vrij zelf criteria vast te stellen.
De namen van de grootmeester en de internationaal meester maak ik niet openbaar, want dat heeft ook de competitieleider niet gedaan. Anders dan de competitieleider maak ik wel hun adviezen openbaar, omdat u mij anders niet gelooft.
De grootmeester:

Ik heb het een paar keer geprobeerd te winnen met wit (ik+engine vs engine), maar het is niet gelukt, echt dichtbij kwam ik ook niet. Dus: remise.
De internationaal meester:

Wit: Bianca Muhren (WGM, 2294)
Zwart: Pieter de Groot
Stelling na 30. … h6

![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 8 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 7 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 6 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 5 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 4 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 3 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 2 |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | 1 |
| a | b | c | d | e | f | g | h | ![]() |
De analyse van de internationaal meester:
‘30. ... h6. Wit staat duidelijk beter: zijn paard is veel sterker dan de zwarte loper, het steunpunt op d5 is niet of nauwelijks aan te tasten. Daarbij heeft hij een toren op de zevende rij en er is ook kans dat er een tweede toren bijkomt. Niettemin vertoont de stelling van zwart weinig zwaktes. De loper dekt belangrijke velden (c7) van binnenkomst, waardoor het niet eenvoudig is om vorderingen te boeken. Als wit verder wil komen, moet hij oppassen dat zwart niet met een toren binnenkomt en dan bijvoorbeeld pion h2 gaat halen. Al met al niet zo gemakkelijk om een eindoordeel te vellen.
31. b4. Hoewel de pion hier op de 'verkeerde' kleur wordt gezet, perkt wit zo wel de loper verder in. De grap met 31. Txd8+ levert nauwelijks voordeel op, hoewel wit in het resterende toreneindspel na Txd8 32. Pf6+ Txf6 33. Txd8+ Kh7 34. Ke2 een tikje beter staat. Zaken kan hij er echter niet mee doen.
31... Kf8. Nu faalt 31... a5 wel op 32. Txd8+ Txd8 33. Pf6+ Txf6 34. Txd8+ Kh7 35. bxa5 en de a-pion beslist.
32. Tc1 De witte stukken domineren de strijd, maar het zal desondanks moeilijk worden om daadwerkelijk vorderingen te boeken.
32. … Ke8
33. Ta7 Zwart kan nu niets meer ondernemen, wit kan de druk langzaam opvoeren. Belangrijk is dat hij eerst het mogelijke zwarte tegenspel uit de stelling haalt.
33. … Kf8 (33... h5 34. Ke2 g6 35. Kd3 h4 36. g4 Td6 37. Ta1 Tc8 38. T7xa6 Txa6 39. Txa6)
34. Ke2 h5 De stelling lijkt mij nog altijd heel voordelig voor wit want tegen de dreiging Ta1 en Txa6 valt weinig te doen. Zwart kan echter altijd met ... Tc8 antwoorden. Wit heeft geen gunstig veld voor de koning om het tegenspel eruit te halen. Ik denk dat wit groot voordeel heeft en dat de stelling in handen van een techneut, vroeger Ulf Andersson, tegenwoordig iemand als Vladimir Kramnik, gewonnen moet kunnen worden. Ik kan het echter niet aantonen en het oordeel is gebaseerd op een subjectieve waarneming,’ aldus de internationaal meester.
Zo, nou hoort u het ook eens van deskundigen! In wezen had ik dus de partij tegen WGM Bianca Muhren niet verloren, maar was zij remise. Zo heb ik wel eens een schaker gehoord die na afloop tegen zijn tegenstander het volgende zei: ‘Ten onrechte heb jij gewonnen, ik stond tijdens de partij beter.’
De ratingverschillen tussen de betrokken spelers van HWP Haarlem 2 en Promotie waren:

Bord 3. speler 1948 – speler 2042
Bord 5. speler 1894 – speler 1998
Bord 6. speler 1948 – speler 2108
Bord 7. speler 1903 – speler 2023
Of, zoals ik zo vaak heb gehoord op de club: ‘Ook al sta je achter, je tegenstander moet de partij nog wel zien af te maken.’ ‘Niets is moeilijker dan een gewonnen partij te winnen,’ aldus grootmeester Donner. Geef dus niet te snel op. Schaken is een sport, het is een wedstrijd. Sommige grootmeesters geven in interviews aan dat volgens hen schaken kunst is of zoiets. Dat mogen zij weliswaar vinden, maar hun opvatting is onjuist. In de statuten van de FIDE staat dat schaken sport is. Dus gaat het ook om het in bedwang houden van de zenuwen.
Niet te snel opgeven behoort tot de hoofdbeginselen van het schaakspel aldus Benjamin Franklin in zijn ‘Morals of Chess’ in 1786:

‘En tot slot, door het schaken leren we ons de gewoonte aan om door te zetten ook al staan de zaken er slecht voor. We leren de gewoonte aan te hopen op een gunstige wending, en die van het volhardend doorgaan op zoek naar oplossingen. Het spel zit zo vol met gebeurtenissen. Het spel bevat zo'n rijke verscheidenheid in het over en weer keren van de kansen. Het geluk in het spel is zo vatbaar voor veranderingen. En een speler ontdekt zo vaak na lang nadenken de zet om een schijnbaar onoplosbaar probleem op te lossen. Zo wordt de speler aangemoedigd door te zetten tot het einde, in de hoop op eigen kracht de partij te winnen. Of, in ieder geval gebruik te maken van de verminderde concentratie van de tegenstander.’
Mijn conclusie is dat arbitreren in deze fase van de partij niet alleen in het voordeel is van de zwakste speler, maar ook dat het als beslechtingsinstrument ondeugdelijk is.
10. Arbitreren versus overspelen
Aan arbitreren in deze fase van de partij kleven de volgende nadelen:
- houdt geen rekening met wezenlijke factoren als spanning, stress
- houdt geen rekening met ratingverschillen die vooral in een latere fase van de partij zwaarder wegen
- houdt geen rekening met wat de spelers zelf vinden van de schaaktechnische aangelegenheden van de partij
- zelfs nog voor de eerste tussentijdse tijdscontrole een wezensvreemd element in het spel
- ontbreken van arbitragecriteria, in wezen een willekeurig instrument
- een te arbitrair instrument en daarmee conflictopwekkend (vgl. Reddersdriehoek).
Aan overspelen kleeft in dit geval het volgende schijnnadeel:
Promotie weet met hoeveel punten zij de wedstrijd moet winnen. Echter, dit nadeel is niet relevant. Omdat de beslissing los staat van de ronde waarin de wedstrijd is gespeeld. De competitieleider heeft namelijk al rekening gehouden met de laatste ronde door een beslissingswedstrijd voor te stellen aan Sliedrecht en Promotie. Dat bijzondere aspect werd door Sliedrecht afgewezen. Het gevolg is dat het instrument van overspelen rondeneutraal is. Eventueel wordt de gehele wedstrijd overgespeeld, ook de reeds beëindigde partijen.
11. De beslissing van de competitieleider
Promotie vroeg de partij van de speler die onwel werd te laten overspelen door een invaller. De vereniging beriep zich op artikel 12.1, het verbod het schaakspel in diskrediet te brengen. Echter, de competitieleider verklaart die partij verloren, zonder enige motivering.

http://schaaksite.nl/page.php?al=niet-verschijnen-aan-het-bord-6
Onduidelijk is waarom in het ene geval de partij verloren wordt verklaard, en in een ander geval de partij moet worden overgespeeld. Het laat zien hoe willekeurig het probleem wordt opgelost.
En ik geef toe, het is ook moeilijk. Wel moet een onderscheid gemaakt tussen een teamwedstrijd en een individuele partij. Bij een individuele partij kan het niet anders dan dat een speler die onwel wordt en de speelzaal verlaat, de partij verliest.
Echter, bij een teamwedstrijd ligt het net iets anders. Dat dat zo is blijkt wel uit de koolmonoxidevergiftigingszaak; een beslissing die in die tijd als juist werd ervaren. Er is ‘iets’ waardoor bij een teamwedstrijd anders wordt beslist dan bij een individuele partij. Wellicht speelt een rol de (on)mogelijkheid van remise aan te bieden.
Ik had het beter gevonden geen onderscheid te maken tussen de partij van de speler die onwel werd, en de partijen die niet zijn beëindigd. Want het is veel te lastig dat verschil uit te leggen. De ene partij wel en de andere niet valt niet uit te leggen. Iets wat de competitieleider dan ook niet doet.
Onzorgvuldig is zijn arbitrage beslissing op het zevende bord. Weliswaar mag zijn addendum die fout corrigeren, echter een schaker krijgt zo’n kans niet. Voor hem geldt ‘aanraken is zetten, loslaten is gezet.’ De competitieleider had beter moeten opletten.
Tot slot heeft de competitieleider zijn arbitrale beslissingen niet gemotiveerd. Zo werkt het niet. Er zal altijd moeten worden uitgelegd. Dat is een fundamenteel beginsel van een bezwaarprocedure.
Van alle mogelijkheden waaruit de competitieleider kon kiezen, koos hij voor de meest ingewikkelde. Op zijn weg trof hij bananenschillen aan, waarover hij uitgleed. Hij heeft het zich nodeloos ingewikkeld gemaakt.
12. Niet profiteren van het voorval
Er zijn schakers die bezorgd aanvoeren dat Promotie niet mag profiteren van het voorval. Zij bedoelen daarmee dat een oplossing niet mag leiden tot het promoveren van Promotie naar de tweede klasse van de KNSB-competitie.
Het doet me denken aan een voetbalwedstrijd die is gestaakt om een reden te vergelijken met die van HWP Haarlem 2 - Promotie. Die voetbalwedstrijd nu wordt vervolgens een aantal dagen later op een woensdagavond voortgezet met een invaller voor de betrokken speler. Omdat in de visie van de bezorgde schakers het voetbalelftal niet mag profiteren van het voorval, mag het elftal de wedstrijd niet winnen. Hun motto is: ‘Onder de voorwaarde dat het betrokken elftal de voortzetting van de wedstrijd verliest mag deze worden vervolgd.’
Het komt erop neer, dat alle mogelijke antwoorden goed zijn, mits Promotie niet promoveert. Als zo wordt gedacht is het eenvoudiger en duidelijker de wedstrijd verloren te verklaren voor het team met de speler die onwel is geworden.
Kortom, hun bezorgdheid is ten onrechte.
13. Tijdsduur nemen van beslissing
De beslissing van de competitieleider heeft veel te lang op zich laten wachten. Dat hoort niet zo in de sport.
Datum voorval: 21 april
Datum aantekenen bezwaar: 23 april
Zienswijze Sliedrecht: 7 mei
Datum beslissing competitieleider: 24 mei
Datum addendum competitieleider: 11 juni
De beroepstermijn is geregeld in artikel 3.2 van het KNSB-competitiereglement, dat luidt:

‘Een beroep als bedoeld in lid 1 wordt schriftelijk ingesteld binnen 14 dagen nadat de competitieleider zijn beslissing aan de desbetreffende vereniging heeft meegedeeld, door toezending van het beroepsschrift per aangetekend schrijven of per e-mail waarvan de ontvangst is bevestigd aan het bestuur van de KNSB.(...)’
Datum publicatie voorlopige indeling van de competitie van de KNSB 2012-2013: 14 juni op de site van de KNSB.
Ook dat pleit ervoor om geen beroep aan te tekenen.
14. Beroep bij de commissie van beroep
Tot slot sta ik kort stil bij de vraag wat de kansen zijn voor Promotie indien zij beroep aantekent bij de commisie van beroep.
De kern is dat de wedstrijdleider een beleidsvrijheid had, een zgn. discretionaire bevoedheid. De FIDE-regels geven namelijk niet precies aan wat hij in dat geval moet doen. De wedstrijdleider kan kiezen uit verschillende varianten. Als hij zijn keuze kan uitleggen, wordt die beslissing in bezwaar en of beroep ‘marginaal’ getoetst, d.w.z. of hij redelijkerwijs dat had kunnen kiezen. Zeg maar: ‘of zijn keuze niet te gek is’.
Nu in wezen de wedstrijdleider niet heeft beslist, maar de competitieleider, wordt de beslissing van de laatste in beroep marginaal getoetst.
En wat denkt u zelf? Vindt u de beslissing van de competitieleider te gek om de niet beëindigde partijen in het HWP Haarlem 2 – Promotie te arbitreren? Durft u deze vraag te beantwoorden? Of speelt bij u ook een overweging dat u het sneu vindt voor de competitieleider als zijn beslissing als ‘te gek’ wordt gekwalificeerd?
Zaken moeten altijd worden gescheiden van de persoon. Men moet het niet persoonlijk opvatten, maar functioneel. Bedacht moet worden dat recht geen wiskunde is, maar overtuigen met argumenten. Ook al vindt iemand zelf de beslissing van de competitieleider te gek, een ander hoeft dat niet zo te vinden.
Ik ken mensen die de beslissing te gek vinden waartoe ik ook behoor, maar er zijn anderen die dat niet zo vinden. Er is zelfs iemand – een anonieme arbiter – die de competitieleider feliciteert met zijn beslissing.
Het is een kwestie van inschatting wat de commissie van beroep zal vinden. Zij zijn ook maar mensen. Echter, Promotie heeft een slechte ervaring dat de commissie van beroep zeer terughoudend de marginale toets toepast. Het ging om een zaak waarin de wedstrijdleider en de competitieleider voor het afgaan van een mobiele telefoon geen reglementaire nul hadden toegekend. Vervolgens ging de commissie van beroep de beslissing marginaal toetsen. Nu het aantal decibels van het geluid van de mobiele telefoon niet het aantal decibels van het geluid van het normale straatrumoer oversteeg, is het redelijk dat de competitieleider geen nul heeft toegekend, geef ik de opvatting van de commissie simpel weer (Oud Zuylen 1 – Promotie, kenmerknummer 0405-2, 6 februari 2005).
Indien wordt vastgesteld dat de beslissing om te arbitreren redelijk is, zijn de vervolgstappen niet meer zo interessant.
De individuele arbitrages zijn nu eenmaal arbitragebeslissingen. Het woord zegt het al, zo’n beslissing is arbitrair. Het is een kwestie van smaak, over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd.
En over de procedurele aspecten? Ach, het kan er hooguit toe leiden dat de competitieleider de namen van de grootmeester en de internationaal meester openbaar moet maken plus hun adviezen. Maar dat verandert niets aan de beslissing.
Terecht heeft het bestuur van Promotie geen beroep aangetekend. Had het bestuur dat wel gedaan, had dit geleid tot de verontwaardigde reacties van anonieme wedstrijdleiders/schakers. Het is reputatieschade voor Promotie. Dit alles afwegend vind ik het wel verstandig dat Promotie geen beroep heeft aangetekend. Want een artikel over de beslissing van de competitieleider heeft hetzelfde effect: namelijk iedereen moet voor zichzelf maar uitmaken of hij of zij in een toekomstig geval zal beslissen overeenkomstig de opvatting van de competitieleider.
Commentaren
Pieter, Mijn dank voor je interessante beschouwingen. Ik kan me zeer wel vinden in de overwegingen die je geeft. Arbitreren is voor mij iets uit een grijs verleden en ik keek er van op dat men hierop teruggreep om deze wedstrijd te beslissen. Integraal overspelen leek mij verreweg de beste oplossing. Ik stel voor dat de KNSB voor dit soort situaties een 'overspel regel' in haar wedstrijdreglement opneemt . Dit biedt een wedstrijdleider houvast want ik ga ervan uit dat dit niet de laatste keer zal zijn dat zoiets gebeurt. Hans Meijer (erelid van Promotie), Cochabamba, Bolivia.
Op puntje 7 ben ik het niet helemaal eens. M.i. is het normaal als de spelregels in een competitie worden veranderd (d.m.v. invoeren van een beslissingswedstrijd) dat hiervoor toestemming aan alle ploegen en niet alleen aan Sliedrecht wordt gevraagd. Ik vind het dus normaal dat Sliedrecht weigert om mee te werken aan eenzijdige aanpassingen in het reglement. Ik vind het bijgevolg kort door de bocht om te stellen dat de competitieleider voldoende rekening heeft gehouden met de algemene belangen van de competitie op basis van dit dubieuze voorstel.
Afbreken blijft m.i. de beste keuze. Toevallig propagandeert de ACP met de Golden Classic ook voor meer afbreken in bordpartijen dus voor sommigen is deze optie zeker bespreekbaar.
Om af te sluiten een positieve noot. Ik vind het een verstandige beslissing van Promotie om niet meer verder te procederen. Niet dat er geen mogelijkheden of redenen meer waren maar wel omdat het siert om te kiezen voor een serene en eervolle ontknoping van dit moeilijk probleem.
Naast artikel 12.1 vind ik het voorwoord van het FIDE reglement hier geldig:
Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en dit zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden. De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te
aanvaarden.
Bijzondere omstandigheden die vragen om billijkheid en logica, dat geldt hier. Ik vind het voorwoord hier mooier dan 12.1, wat zegt wat je níet moet doen. Het voorwoord helpt je in de denkrichting wat je wél moet doen.
Afgebroken stellingen uitspelen versus arbitreren.
Aan arbitreren kleeft een groot nadeel. In een objectief verloren stand wordt je de mogelijkheid afgenomen er toch nog bijvoorbeeld remise uit te slepen. In een objectief remisestand, zoals KTP tegen KT krijg je niet meer de kans om het toch nog te winnen. Zo makkelijk is de verdeding niet, een voorbeeld Carlsen-L'Ami was 1-0.
Met dit in gedachte zou ik zo'n stelling liever laten uitspelen dan arbitreren. Arbitrage zou hier hetzelfde effect hebben als L'Ami de rest van de partij het recht geven met de hulp van een eindspeldatabase te spelen. Dat is nog veel meer computerhulp als uitspelen met slechts één keer computerhulp in de afgebroken stelling.
Brabo,
Op de avond van het voorval blijkt dat er twee teams in aanmerking komen om te promoveren: Sliedrecht en Promotie. Ook blijkt dat HWP Haarlem is gedegradeerd. Rijst de vraag hoe verder. Wat men ook beslist, het kan nooit zo’n zuivere aangelegenheid worden als bij het begin van de laatste ronde.
Wat is nou mooier wanneer alle drie betrokkenen het probleem zelf kunnen oplossen door een beslissingswedstrijd te houden. Als zij dat een juiste beslissing vinden, wat gaat dat de rest aan? Lekker praktisch. Noem het desnoods sportiviteit. In de samenleving komen dergelijke oplossingen steeds meer voor. Dat gebeurt bij mediation.
Ik ben een zeer grote voorstander van meer eigen verantwoordelijkheid tonen om problemen op te lossen. Ik blijf het dan ook jammer vinden dat Sliedrecht daar bij nader inzien niet aan wilde meewerken. Daar was overigens ook Sliedrecht bij gebaat, want nu is hun promotie omstreden. Dat is ook voor Sliedrecht vervelend.
Ik vind het voorbeeld van ACP met de Golden Classic niet zo gelukkig. In de eerste plaats omdat het zich pas voordoet in een eindspel, wanneer al zo’n 80 zetten zijn gedaan. En in de tweede plaats omdat wordt toegestaan advies van anderen te willigen. Plat gezegd: voorzeggen mag. Iets wat in strijd is met de FIDE-regels. Dat is ook de reden waarom de spelers op dat toernooi geen ratingpunten kunnen halen.
Paul-Peter Theulings,
Eerst moet worden vastgesteld wat het gevolg is van het onwel worden van de speler. Sommigen menen dat het spel gewoon moet doorgaan. Dat is nu eenmaal het risico van het leven, zo stellen zij. Als iemand niet wil spelen, respecteren zij dat weliswaar, maar het gevolg is wel het verlies van de partij. Dan rijst natuurlijk de vraag of deze opvatting al of niet juist is. Ik denk dan dat artikel 12.1 duidelijker diensten kan verlenen dan het Voorwoord. Namelijk voortzetting brengt het spel in diskrediet. Pas als dat is vastgesteld moet naar een oplossing worden gewerkt, waar de FIDE-regels zo goed als geen voorziening voor geven. Dan kan het Voorwoord voor een oplossing verwijzen naar billijkheid en logica etc. Van belang daarbij is dat alle mogelijke varianten worden beschreven, waarbij de pro en contra’s tegen elkaar worden afgewogen.
Dat mondt uit in een afwegingsproces. Als de betrokkenen het zelf niet kunnen oplossen, weegt de competitieleider af. Zijn beslissing wordt marginaal getoetst, namelijk is zijn beslissing 'te gek‘? Als hij bijvoorbeeld jouw oplossing neemt, is dat ook het toetscriterium: is dat te gek?
Pieter:
Ik blijf erbij dat je Sliedrecht niet kunt kwalijk nemen dat ze niet wilden meewerken aan het aanpassen van de reglementen. Het bepalen van de kampioen gebeurt in een competitie door alle ploegen en mag m.i. niet afhangen van afspraken tussen 2 ploegen zelfs als blijkt dat er op het einde slechts 2 ploegen in aanmerking voor de titel meer komen. Herinner je Carlsen die aan het vorig WK niet wou deelnemen omwille van de gewijzigde reglementering tijdens een competitie. Voor dit soort beslissingen heb ik respect omdat je hiermee zuiverheid nastreeft en geen opportunisme.
Dat Sliedrecht uiteindelijk voordeel van de arbitrage had, konden ze m.i. niet weten op voorhand. De club treft dan ook geen enkele schuld in tegenstelling tot wat je insinueert.
Afbreken in de ACP Golden Classic gebeurt na 5 uur spel wat normaal overeenkomt met minstens 40 zetten tenzij je 80 zetten rekent voor wit en zwart samen. Voorzeggen mag enkel niet wanneer er gespeeld wordt. M.i. is net de definitie van afbreken dat het spel wordt onderbroken of m.a.w. er wordt niet meer gespeeld. De reglementen zeggen helemaal niet dat er in de periode dat er niet gespeeld wordt, men niet de stelling mag bestuderen. Jouw interpretatie van het reglement is niet de mijne noch van vele andere arbiters.
Tenslotte de correct reden waarom ACP Golden Classic niet meetelt voor rating is omdat sommige spelers het liever niet hadden, niet omwille van het afbreken wat vermeldt werd o.a. op chessvibes in een verklaring achteraf met GM Sutovsky. Het was dus perfect mogelijk om het tornooi voor elo te meetellen maar sommige spelers dachten benadeeld te worden door het afbreken t.o.v. het huidige topschaak zonder afbreken.
Als Sliedrecht niet wil meewerken is dat haar goed recht. Ik kan me niet herinneren dat ik ergens heb geschreven dat Sliedrecht wel had moeten meewerken. Ik heb alleen geschreven dat het jammer is dat het zo is gebeurd (maar in het woord ‘jammer’ zit geen kwalijk nemen). Daar komt bij dat die vereniging op die avond zelf die oplossing voorstelde aan Promotie. Dat valt Sliedrecht zeer te prijzen. Als zij dat voorstel niet had gedaan, was misschien niemand op dat idee gekomen. Ik in ieder geval niet. Nogmaals, er valt niets af te dwingen jegens Sliedrecht.
Wat anders is, is dat de beslissing van de competitieleider inzake HWP Haarlem – Promotie onbevredigend is, om het voorzichtig uit te drukken. En dat nu straalt ook af op Sliedrecht. En dat heeft niets te maken met schuld of verwijtbaarheid, dat heeft alleen te maken met een feitelijke constatering. Het is gewoon jammer dat het zo is gelopen.
Het komt neer op een pleidooi voor betere kwaliteit, en in wezen ook over en weer meer begrip voor een bepaalde situatie. Daarom was het eerste gebaar van Sliedrecht ook zo goed. Ik wou dat het navolging krijgt. Want het schaakrecht is helaas veel te ingewikkeld voor amateur wedstrijdleiders en amateur competitieleiders.
Wat betreft ACP. Als schakers plezier hebben in afwijkende regels, gaan ze hun gang maar. Hoe meer toernooien hoe liever dat ik het heb, want de spelers weten toch van tevoren waar ze aan beginnen. Dat komt het schaken allemaal ten goede.
Wat anders is het dat in een KNSB-competitie een wedstrijd wordt stilgelegd, de spelers alle mogelijkheden krijgen van bijstand – openlijke fraude – om een tijd later de wedstrijd te vervolgen. Maar ook hier geldt, dat als de competitieleider dit in dit geval had beslist, de commissie van beroep ook die beslissing ‘marginaal’ had getoetst.
Pieter:
Je hebt een punt als de KNSB-competitie niets schrijft over afbreken in de reglementen dan is de situatie inderdaad anders dan bij de ACP Golden Classic.
Er blijft echter het probleem dat opgelost moet worden en voor zover ik begrijp, geeft het KNSB-reglement geen eenduidige oplossing dus is de competitieleider verplicht om een speciale (afwijkende) beslissing te maken. Interpretaties zullen altijd mogelijk zijn maar zolang de verantwoording redelijk is (een 'marginaaltoets'?), vind ik dat we die beslissingsvrijheid aan de competitieleider moeten geven zelfs al is die niet de onze.
Totaal : 8, op pagina: 8
Sitemap

