Schaaksite | Voor Schakers/Door Schakers. Wij volgen het Nederlandse schaken met nieuws, achtergronden en meer. Ook is er toernooinieuws en zijn er links naar livepartijen. Lezers kunnen op de Schaaksite zelf schaakinformatie plaatsen.

Auteur: janvdende


In Dordrecht is op 2 maart jl. voor de 15e keer de Snelschaak Marathon gehouden. De locatie van dit ‘Open Nederlands Kampioenschap Snelschaken’ is gebouw Ocra van het ROC Da Vinci College in de wijk Leerkamp. Dit eendaagse evenement is zeer populair onder de schakers. Ook vele GM’s en IM’s weten de weg te vinden naar ‘Dordt’, zoals de bewoners hun plaats veelal noemen. Twee zaken zijn hiervoor verantwoordelijk: Een riant prijzengeld (1e prijs: 1750,--) en een uitstekende organisatie onder bezielende leiding van voorzitter Adri Timmermans. 200 deelnemers, o.a. uit Brazilië, Zweden, Frankrijk en Duitsland, starten om 10 uur op zaterdagochtend in één grote groep om 17 dubbele ronden te spelen - een keer wit en een keer zwart tegen dezelfde tegenstander - met een bedenktijd van 5 minuten p.p.p.p. De 20 topborden spelen in het auditorium van het gebouw: een zaal op de begane grond die plaats biedt aan honderden bezoekers die op een brede tribune plaats kunnen nemen. De andere 80 borden zijn ondergebracht in een zaal op de eerste verdieping die via die tribune te bereiken is. Voorwaar een fraaie ambiance!
(foto: Cor Oliemans)
Het is de eerste keer dat ik als arbiter bij dit toernooi aanwezig ben als vervanger van Paul van Rooyen. Samen met hoofdarbiter Henk Greevenbosch en voormalig hoofdarbiter van het Tata Steel Chess Tournament Thomas van Beekum, hebben wij de taak om alle emoties en uitwassen, die vooral bij snelschaken wel eens om de hoek komen kijken, binnen de perken te houden. De eerste ronden is er weinig aan de hand. De mensen zijn nog fris en voor rede vatbaar. Wel zijn er al een paar rare vlagvalsituaties. Als je met nog een paard en eventueel een pion door de vlag gaat en je tegenstander heeft alleen nog maar een loper. Wat is dan de uitkomst? Je verliest! Want de speler met de loper kan mat geven. Dit gebeurt deze dag wel 3 á 4 keer. (Artikel 6.9: Als een speler het voorgeschreven aantal zetten niet heeft voltooid in de toegekende bedenktijd, dan is de partij voor hem verloren. De partij is echter remise als de stelling zodanig is dat de tegenstander de koning van de speler nooit mat kan zetten, door welke reeks van reglementaire zetten dan ook.) Het is wel een absurde situatie. Als je buiten de koning niets meer hebt, is het remise, maar als je nog een paard op het bord erbij hebt staan gaat de partij verloren, als de tegenstander in beide gevallen slechts een loper heeft. Dit soort ‘matpotentieel’ is wel pijnlijk voor de verliezer en je kan vraagtekens zetten bij deze regel, maar het is wel duidelijk. Dit voorkomt discussies bij een vlagval of een stelling remise of gewonnen/verloren is bij een bepaalde materiaalverhouding. Elke poging om dit in rechtvaardigere banen te leiden via regelgeving zal leiden tot een verdere regelbrij. En daar zit niemand op te wachten. Het spelregelboekje is door de jaren heen al dik genoeg geworden door de pogingen om alle mazen in het net te dichten. Er is echter wel een eenvoudige oplossing om deze gevallen te vermijden: Alle partijen met increment spelen. Dan hoef je niet meer door je vlag te gaan en is het afgelopen met deze flauwekul. Ook in de KNSB-competitie wordt volgend seizoen met increment gespeeld. Zou dit ook iets zijn voor de Snelschaak Marathon? 3 minuten + 2 seconden per zet erbij lijkt een aardig alternatief. Het enige nadeel is dat dit het tijdschema in de war kan schoppen en dat is iets wat men niet kan laten gebeuren.

Bij één van de hiervoor genoemde gevallen stelt één van de twee spelers mij een vraag over een situatie bij het schaken die mij bij dit schrijven totaal ontschoten is. Ik weet wel dat ik in beginsel een wat aarzelend antwoord geef. Dit geeft die speler een goede reden om mij onderzoekend en doordringend aan te kijken en de volgende conclusie te trekken: “U weet er ook niet zo veel van, hé?!” Mocht ik al enige tekenen van hoogmoed vertoond hebben, dan zijn die nu als sneeuw voor de zon verdwenen. Aardige jongen, leuke uitstraling, die kan toch geen ongelijk hebben?

Het toernooi gaat verder. Er wordt op het scherpst van de snede gestreden, getuige van het feit dat bij de top van het klassement in een wedstrijd met een materiaalverhouding van lopers van ongelijke kleur en nog ergens een verdwaalde pion, de een de ander genadeloos door de vlag jaagt. In de loop van de middag zie je de vermoeidheid bij de spelers toenemen en er ontstaat soms wat irritatie. Zo zet een speler bij een promotie een omgekeere toren neer op het bord en zegt: “Dame.” Tegenstander reageert niet en als die omgekeerde toren bij de eerste zet diagonaal gespeeld wordt, claimt de tegenstander winst vanwege een onreglementaire zet. Hij heeft het recht aan zijn zijde en krijgt het punt. Maar die actie verdient uiteraard niet de schoonheidsprijs en de speler is er zo verbolgen over, dat hij alleen nog maar kan zeggen: “Dan trek ik mij terug voor de rest van het toernooi!”

Onder de deelnemers bevindt zich ook ‘Mister Chess’ Hans Böhm, onze zeer gewaardeerde schaakambassadeur. Na afloop vertelt hij wat hem die middag is overkomen. Bij een partij zet hij zijn pion op de achterste rij, wat recht geeft op promotie. De dame die voor de pion in de plaats moet komen te staan bevindt zich achter de elleboog van zijn tegenstander. Hij vraagt vriendelijk om die dame en hoffelijk laat hij zijn klok lopen, terwijl hij al niet zo veel tijd meer heeft. De tegenstander doet echter of hij niets ziet en hoort en blijft stoïcijns zitten. En Hans moet nogmaals om zijn dame vragen, waarna er weer geen reactie volgt! En uit beleefdheid laat hij nog steeds zijn klok maar lopen! Uiteindelijk heeft hij zijn dame weten te bemachtigen, maar door dit provocerende, psychologische spelletje van zijn tegenstander verliest hij kostbare tijd en hij gaat dan ook door zijn vlag met een dame meer. Hij heeft zich met weinig verweer naar de afgrond laten leiden en dat terwijl hij zelf ook wel weet hoe de trukendoos te gebruiken om te proberen partijen naar je hand te zetten. Hij wordt mild!

Bij een van de laatste partijen in de laatste ronde gebeurt nog het volgende: Er staan twee koningen op naast elkaar liggende velden op het bord - dus twee koningen schaak - en een speler claimt de partij terwijl hij met zijn witte koning de zwarte koning al heeft aangeraakt met de bedoeling hem te slaan. Het toernooi heeft duidelijk net iets te lang geduurd voor deze spelers, want wat een absurde situatie is dit. Het probleem wordt snel en zonder morren op vreedzame wijze opgelost: het punt wordt gedeeld. Zo eindigt ook voor deze twee spelers de Snelschaak Marathon. Na de prijsuitreiking gaat ieder weer zijns weegs, wel of niet tevreden over de behaalde resultaten. Over één ding kan iedereen het eens zijn: volgend jaar moet er weer een Snelschaak Marathon komen!
“Wie heeft eigenlijk Tata gewonnen?” vraagt de voorzitter van de club aan mij aan de bar in onze speelzaal, ruim een week na afloop van het Tata Steel Chess Tournament. Quasi verbaasd kijk ik hem aan. Niet omdat hij niet weet dat Magnus Carlsen de Grootmeester A-groep met verve heeft gewonnen, dat kan hij makkelijk gemist hebben door vakantie of ziekte, maar wel, omdat hij maar voetstoots aanneemt dat ik begrijp dat hij de sterkste groep bedoelt. “Nou, dat hangt er vanaf welke groep je bedoelt!” was dan ook mijn antwoord. Het toernooi is namelijk meer dan alleen de A-groep. Behalve de Grootmeester B- en C-groep zijn er in de tweede week meer dan 60 tienkampgroepen waar bij iedere partij op het scherpst van de snede gestreden wordt. En in de eerste week zijn er zo’n 240 vierkampen én nog een heleboel aparte groepen. En overal wordt even hard op het bord gevochten voor de prijzen, promotie, ratingpunten of gewoon de eer.

Bij de dagelijkse journaals, die ’s avonds laat nog op de website gezet worden, mis ik ook de aandacht voor het grote geheel. Bij deze leuk in elkaar gezette filmpjes is praktisch alleen de A-groep in woord en beeld te aanschouwen. Pas bij ronde 11 wordt de stand van de B- en C-groep erin vermeld en in het laatste journaal is er zelfs nog plaats voor een interview met de winnaars van beide groepen. Natuurlijk is de A-groep het fantastische uithangbord van het toernooi en verdient, nee, moet het de meest aandacht krijgen, maar waar zijn de sfeerbeelden van al die andere schakers, van het overvolle restaurant om zes uur ’s avonds met bezoekers en analyserende schakers, van de boekenstalletjes in de tent voor de ingang van de Moriaan en van de entourage in het paviljoen op de dorpsweide, waar honderden bezoekers iedere dag het deskundige commentaar op de partijen van die dag volgen? Alle spelers en bezoekers maken het toernooi tot wat het nu is: een van de grootste en sterkste toernooien ter wereld. En dit mag best wat meer tot uitdrukking gebracht worden in de ‘daily video journals’. Volgend jaar krijgen de videoboys de kans om te laten zien hoe het nog beter kan. Vanuit Tata Steel is er toegezegd dat het toernooi in 2014 weer doorgang vindt, al is de manier waarop nog onzeker.
De editie van 2013 zit er in ieder geval weer op. Natuurlijk verloopt niet altijd alles vlekkeloos en een onschuldig voorbeeld daarvan volgt nu: Tijdens de derde ronde van de tienkampen sta ik vlak bij het balkon bij een partij bij te schrijven waar beide spelers in tijdnood zijn gekomen. Speler A noteert al niet meer vanaf zet 18 en speler B is daar mee gestopt na zet 31. Ineens kijkt A, die het hevigst in tijdnood zit, naar B en vraagt: “Hoeveel zetten hebben we al?” B aarzelt geen moment, drukt het middelste knopje van de klok in en het getal 38 verschijnt twee keer in beeld. “Ok, nog twee dus.” Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om tussen deze sportieve eensgezindheid een wig te drijven wegens vermeende malversaties. Ik hou dus wijselijk mijn mond. Ze doen allebei nog twee zetten, waarna nog een keer de zettenteller geraadpleegt wordt die nu 40 aangeeft. A onspant zicht iets terwijl zijn vlag valt. Direkt daarna zet ik de klok stil. Door het snelle spelen heb ik niet de volledige notatie op kunnen schrijven, maar met wat streepjes erbij kom ik ook aan 40 zetten. De volgende handeling is notatie bijwerken via reconstructie, maar A is plotseling weggelopen en B verklaart dat hij de ontbrekende zetten nog wel uit zijn hoofd op kan schrijven. Ik zie B peinzen, krabbelen, krassen en rood worden en de conclusie luidt: hij komt er niet uit. Dan toch maar reconstrueren op het bord ernaast. A is nog steeds niet in beeld. Het blijkt lastig voor B om de laatste zetten boven water te krijgen, maar uiteindelijk is hij er toch uit. Triomfantelijk laat hij zijn boekje zien, waar naast flink wat gekras nog een ding opvalt: hij heeft maar 39 zetten er op staan! Op dat moment verschijnt A weer aan het bord en hoort met ontzetting deze mededeling aan. Voordat hij van de schrik bekomen is stel ik hem iets gerust, door hem te zeggen dat hij de reconstructie nog een keer mag doen om zekerheid te krijgen. Hij gaat aan de gang met de notatie van B en maakt zelfs foto’s daarvan om niets aan het toeval over te laten mocht het tot een protest komen. Tot zijn grote opluchting ontdekt hij dat B een zet gemist heeft en dat alles nog goed komt voor hem. Inmiddels is er al aardig wat tijd verstreken en nu moet hij zijn eigen boekje nog bijwerken. “Ja, en dat moet je in je eigen tijd doen!” Die opmerking van B komt als een volslagen verrassing. Ik kijk hem vragend aan en hij herhaalt het nog een keer. Nee, het is geen grap. Ik vraag hem of zijn klok soms gelopen heeft, terwijl hij tien minuten lang bezig was om via reconstructie zijn notatie op orde te brengen. Hij is gelijk om en maakt er geen probleem van. “Dan ga ik nu even een sigaretje roken, terwijl jij je notatie bijwerkt”, zei hij tegen A. “Dat is goed,” is het antwoord van A, “dan wacht ik wel met de klok aanzetten tot je weer terug bent!” Daar steek ik onmiddellijk een stokje voor. Het heeft nu al veel te lang geduurd. Mijn ‘beslissing’ heeft echter weinig nut. Eer dat A al zijn 22 zetten heeft bijgeschreven is B alweer terug. Zij nemen eindelijk allebei hun eigen plaats weer in en voordat de strijd verder gaat geven ze elkaar wederom sportief een hand.

Licht zuchtend verwijder ik mij van de ‘plaats delict’ en collega Arie van den Hoogen, die alles van op een afstandje heeft staan volgen, komt naast mij lopen, kijkt mij bedenkelijk aan en zegt: “Zeg Jan, weet jij wel dat we vandaag op tijd klaar moeten zijn, omdat we het stormschaak moeten organiseren vanavond in cafe de Zon? Als die partij tot het einde doorgaat redden we dat niet!” Ik sta met mijn mond vol tanden en stumperig antwoord ik, dat ik dan maar eigenhandig de klok stil zet en een einde maak aan de partij, als dat nodig is. Maar ik hoef mij daarover geen zorgen te maken. Een bekend spreekwoord zegt: ‘het geluk is met de dommen’. De partij is dan ook al lang beslist voordat de laatste klok stilgezet wordt.
Eind vorig jaar mocht ik een bezoek brengen aan Spijkenisse. Een gemeente liggend onder de rook van Rotterdam en alleen de oude Maas en de snelweg A15 scheiden de plaats van het foeilelijke, maar economisch o zo nuttige Botlekgebied. In dit gedeelte van de Rotterdamse havens vind je vooral petrochemische industrie en tankopslagbedrijven. Om vrolijk te blijven moet je dus niet de verkeerde afslag nemen. Dat deed ik dus wel, maar ik kwam gelukkig niet in het havengebied terecht maar in het naburige dorp Hoogvliet. Geen nood, even de weg vragen aan een vriendelijke mevrouw en in een wip zat ik via de Spijkenisserbrug over de oude Maas in Spijkenisse. Ja, ik ben nog zo iemand die nog geen gebruik maakt van de TomTom, ik wil graag nog wéten waar en hoe ik ergens heen ga.

De schaakvereniging Spijkenisse is de grootste vereniging van de RSB en vierde vorig jaar haar 50-jarig jubileum. Tevens werd er een andere speellocatie gevonden. In een nieuw gedeelte van het centrum is onderdak gevonden op de 1e etage in de nieuwe bibliotheek, genaamd ‘De Boekenberg’. En daar moet ik heen om een wedstrijd in de derde ronde van de KNSB-competitie te leiden. Het naast de Dorpskerk gelegen gebouw ziet er uit als een glazen piramide en ernaartoe lopend kun je de stellages al bewonderen waar al die duizenden boeken in gestald staan. Het is een fraai en uitnodigend gezicht.
(foto: website sv Spijkenisse)

De ingang voor het schaken is aan de achterkant. Daar is de trap die mij naar een ruime hal op de 1e verdieping brengt. Ergens rechts is de kantine/analyseruimte en die is zo groot dat menig schaakvereniging daar jaloers op kan zijn als ze die als speelruimte zouden hebben. De koffie staat al klaar en bewonderend kijk ik in het rond naar deze luxe omstandigheden. De speelzaal is aan de andere kant van de hal. Borden, stukken en klokken staan allemaal al klaar voor de twee wedstrijden die hier straks gespeeld gaan worden. Het is een grote langwerpige ruimte, waarvan slechts de helft nog bedekt is met vloerbedekking. Het is nog niet bekend of de ruimte zo blijft of dat hij toch door de beleidsbepalers van het gebouw in tweeën wordt gedeeld. Vandaar dat de andere helft nog kaal beton als ondergrond heeft. Aan verwarmingscapaciteit zo te zien geen gebrek: langs alle muren staan meer dan tien radiatoren met thermostaatkranen. Het is aan de koude kant, dus maak ik een rondje om er een paar wat hoger te zetten. Dat heeft echter geen resultaat. De verwarming wordt centraal geregeld en hoe dat precies werkt is nog niet bekend. Dat zijn dus de kinderziekten die zich ook hier nu openbaren. De centrale afzuiging werkt wel en is niet af te zetten. Het moet maar zo. Overlast van zweetlucht zal vandaag niet voorkomen!

Tijdens de wedstrijd valt het mij opeens op dat er sinds kort regelmatig een piep te horen is. Alsof er ergens een rookalarm afgaat. Juist als ik op onderzoek wil uitgaan sluit één van de spelers de deur naar de hal, wat de overlast doet verminderen. Een bezoeker speelt voor portier en via de hal en de trap loop ik naar beneden waar de bron van de overlast te vinden is. Het is een klein wit kastje met digitale cijfers, hangend aan de muur: een alarmmelder. Maar wat voor alarm? Geen flauw idee. Ik kan er geen wijs uit worden, druk zomaar wat op een paar knoppen en wonderwel stopt het irritante, doordringende gepiep opeens. Ik heb eigenlijk niet het idee dat dit door mijn handelend optreden komt, maar het is in ieder geval weer rustig. Nu kan ik ook een andere aanwezige verstaan, die mij uitlegt wat er aan de hand is: de mensen van de bibliotheek hebben het alarm geactiveerd omdat de bibliotheek nu gesloten is. Iemand van de schaakclub moet dan het alarm weer uitschakelen voor dat gedeelte van het gebouw waar de schaakclub huist. Dat ritueel is nog niet helemaal onder de knie, het is tenslotte pas de tweede thuiswedstrijd, maar dat gaat goed komen.

Ik loop weer naar boven en in de hal zie ik door de glazen wand en de glazen deur de schakers in de speelzaal al zitten. Mijn hand reikt automatisch naar de deurknop, maar grijpt in het luchtledige! Wat is dat nu? Verbaasd kijk ik omlaag en zoek naar de deurknop. Die is er dus niet! Wel een donker sleutelgat dat mij grijnzend lijkt aan te kijken. Hoe halen die architecten het in hun hoofd om dit te verzinnen. Deuren in een gebouw met maar aan één kant een deurknop, om geen ongenode gasten een vertrek in te laten gaan. Ben je er eenmaal in, dan mag je jezelf wel uitlaten. Geniaal, want om een vertrek op slot te doen als niemand er in mag, tsja, dat wordt gauw vergeten door al die drukke bezigheden! Gelukkig worden we al snel door iemand binnengelaten en de deur kan ook gewoon weer openblijven.

Na de tijdcontrole neem ik de tijd om iets te bekijken wat mij eerder die middag al was opgevallen. Twee muren van de speelzaal zijn buitenmuren. Er zitten echter geen ramen in die muren. Wel deuren met glas waar het buitenlicht door naar binnenvalt. Deuren in de buitenmuren op één hoog? Ik tel er in totaal tien. Dan zal er wel een galerij langslopen. Staand voor zo’n deur kijk ik door het glas. Er staat buiten een hekje van een meter hoog, vlak achter de deur. De richel tussen het hekje en de deur is zo smal dat een muis daar zijn kont nog niet fatsoenlijk kan keren. Achter het hekje kijk ik vijf meter lager op de straat. Niks geen galerij, maar wel deurknoppen aan iedere deur! Ja, daar wel. En dat zo tien keer. Het nut hiervan ontgaat mij volkomen. Deuren in een buitenmuur op één hoog waar je niet door kan. Ik val nu in herhaling, maar hoe verzinnen ze het om dit te ontwerpen. (De week erna kom ik er achter dat dit ‘Franse balkons’ zijn. Even googlen levert bij Wikipedia de volgende informatie op: ‘Een Frans balkon wordt gevormd door een stel naar binnen draaiende deuren op een verdieping, met aan de buitenzijde de balustrade. Zo'n "balkon" kan dus niet worden betreden’. Weer wat geleerd dus. Ze schijnen esthetisch zeer verantwoord te zijn.)

Na afloop van de wedstrijden neem ik afscheid van de nog aanwezige mensen en loop naar buiten. Ik kijk nog een keer om naar het bijzondere gebouw. Schaakvereniging Spijkenisse kan wel trots zijn op haar nieuwe onderkomen. In de auto hoor ik op de radio dat het regeerakkoord van het kabinet Rutte-2 vrijwel rond is. Misschien kunnen ze nog één klein puntje daarin meenemen: een totaal alcoholverbod voor architecten!