Recensie: Schaken… zoveel meer dan een spel! – Peter Ramaekers

Inleiding
Niet zo gek veel schaakboeken verschijnen in het Nederlands. Logisch, want ons taalgebied is betrekkelijk klein. Zelfs als we daar Vlaanderen bij rekenen. Maar daar hebben ze bij Thinkers Publishing in België lak aan, want als er een auteur komt met een mooi manuscript en die wil het graag in het Nederlands publiceren dan krijgt hij de kans. Dat is het geval bij het boek dat voor mij ligt en dat ik bijna in één adem heb uitgelezen. De auteur, Peter Ramaekers (geboren in 1953), heeft natuurwetenschappen en filosofie gestudeerd en is gepromoveerd in Eindhoven. Zoals op de achterflap vermeld staat, was hij één van de eerste gediplomeerde schaakinstructeurs van de KNSB en was hij in de jaren ’70 en ’80 actief in het zuiden van Nederland. Op latere leeftijd heeft hij het schaken weer intensief opgepakt en de ondertitel van het boek verraadt al dat hij, met zijn achtergrond als filosoof, heel goed heeft nagedacht over de mentale aspecten in de schaaksport. Met de ondertitel ‘invloed van mindset en leeftijd op je speelsterkte’ is Ramaekers aan de slag gegaan om te kijken hoe groot de invloed van deze twee parameters is op je actuele speelsterkte. Voordat ik hierover wat meer ga uitweiden eerst even de titels van de hoofdstukken in dit boek.
Hoofdstuk 1 – Het vormen van ‘schaakgeheugen’ en opbouwen van stellingsinzicht
Hoofdstuk 2 – Mentale gevoeligheid
Hoofdstuk 3 – Schaakblindheid
Hoofdstuk 4 – Waarom blijven schaken?
Hoofdstuk 5 – Een obsessie voor het schaken
Hoofdstuk 6 – Wanneer is je houdbaarheidsdatum als senior schaker verstreken? Interview met Jan Rooze (IM)
Hoofdstuk 7 – Interviews met topschakers
Hoofdstuk 8 – Waarom moet het zo snel?
Hoofdstuk 9 – Geheugen en patronen zien
Hoofdstuk 10 – Krachtzetten – memorabele stellingen en motieven – observeer jezelf bij herhaald trainen!
Zoals de titel al suggereert, bestaat het boek uit veel tekst, waarin de lezer op meeslepende wijze wordt meegenomen in een wereld waarin hij/zij een spiegel wordt voorgehouden om zijn eigen spel te evalueren. Dat is natuurlijk confronterend omdat pijnlijke vergissingen en blunders liefst zo snel mogelijk worden vergeten. Maar de auteur komt in het eerste hoofdstuk met een uitspraak die de spijker op zijn kop slaat: ‘Het boek breekt met tradities van de gebruikelijke trainingsboeken die de nadruk vooral leggen op het leren door analyse van partijen en oefenstellingen. Er wordt hier vooral aandacht besteed aan psychologische factoren in het schaken, en ook aan filosofische achtergronden, en er zijn zeer weinig schaakboeken die dat ook doen’.
Veel tekst dus en daar houdt niet iedere schaker van, maar de tekst wordt afgewisseld met een groot aantal prachtige tekeningen van René Duret, zelf ook een schaker, die weergeven waar het in de tekst om gaat. Komen er dan geen schaakpartijen en diagrammen voor? Nou nee, ook daar geeft Ramaekers voldoende aandacht aan. De diagrammen zijn extra groot, dus de lezer kan daar zeker niet omheen!
Filosofische en mentale aspecten
In vrijwel alle hoofdstukken gaat de auteur in op mentale processen die hij met zijn filosofische achtergrond op een interessante manier beschrijft. Zo benoemt hij in hoofdstuk 2 dat het voor elke speler een mentale uitdaging binnen een schaakpartij is, waarbij factoren als gevoeligheid, angst, ongeduld, agressie, hypnose, bijgelovigheid en ook ergernis en irritatie aan bod komen. Vooral die laatste twee herken ik als geen ander. Ik citeer: ‘Heb je op een of andere manier last van je tegenstander, of voel je je geïntimideerd, dan kun je overwegen om contact zoveel mogelijk te vermijden: niet blijven zitten wanneer de tegenstander aan zet is, en gaan rondlopen. Je zinnen verzetten’. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan! Zeker met weinig tijd op de klok, zal dit advies niet (altijd) opgevolgd kunnen worden. Het zit voor een groot deel in jezelf als je last hebt van (het gedrag van) je tegenstander. Wat mij ooit overkwam, dat ik namelijk in wederzijdse tijdnood in een voor mij totaal gewonnen stelling, meerdere trappen onder de tafel kreeg van GM Vladimir Epishin om mij uit mijn spel te halen. Het lukte hem inderdaad, ik was zo de kluts kwijt dat ik nota bene na de tijdcontrole de winst verpatste en een stelling met ongeveer een dame meer nog remise liet lopen… (zie: Column: schoppen onder de tafel). Dit is natuurlijk een extreem gevalletje…
Door de vele punten die Ramaekers noemt, die je als wedstrijdspeler kunt tegenkomen, ben ik opnieuw gaan nadenken over hoe je je moet wapenen tegen onverwachte situaties. Daarbij probeer ik ook zijn advies ter harte te nemen om ‘jezelf goed te leren kennen’.
Met één opmerking over voorbereiding op de partij, ben ik het niet helemaal eens. Het belang van openingsanalyse is belangrijk voor je zelfvertrouwen tijdens een wedstrijdpartij, nodig daarbij is een goed geheugen.
Behalve dat ik van oudsher al een slecht geheugen heb (vooral voor concrete varianten) denk ik dat je je zelfvertrouwen niet moet putten uit het feit of je je voorbereiding wel of niet op het bord hebt gekregen. Want dat zou betekenen dat je direct al een teleurstelling te slikken krijgt als dat niet het geval is. Dat is dan misschien funest voor je mindset. Ik herinner me dat ik eens tegen een openingstheoreticus moest spelen maar al snel op eigen kracht verder moest. Ik vond het juist een uitdaging om op dit soort moment mijn eigen wegen te zoeken. Als de tegenstander dan plotseling in gepeins verzonk, mocht ik daar meestal uit concluderen dat ik hem uit zijn “boek” had gehaald. Sterker nog: omdat ik er toch volle bak inging, weerlegde ik soms achter het bord een nieuwtje dat hij thuis had bedacht. Het was wel een andere tijd en ik erken dat dat in deze tijd met enorme databases en sterke engines andere koek is geworden. Toch denk ik dat zelfs nu – zeker als je zoals ik – niet op topniveau speelt, speelsterkte en creativiteit vaker doorslaggevend zijn dan pure openingskennis en geheugen. Het is niet gezegd dat als je met de enginescore van -2 uit de opening bent gekomen, je daadwerkelijk ook opgerold zult worden.
Terug naar het boek. Peter komt met de nodige voorbeelden uit zijn eigen praktijk waarin hij zich kwetsbaar opstelt en probeert lessen te trekken uit de fouten die er gemaakt worden. Hier eentje in zijn voordeel tegen niemand minder dan een ex-kampioen van Nederland!
Voorbeeld 1
Peter Ramaekers – Rini Kuijf 2023
















Wit speelde hier
1. Tb5 Da3 2. Txd5
Zwart moet nu oppassen.
2…Dxa2
Pakt een pion om straks een gunstig eindspel over te kunnen houden.
Ik denk dat er niets mis is met 2…Le6=
3. Th5














Nu moet zwart oppassen. Met weinig op de klok (zonder increment) greep de zwartspeler mis.
3…g6??
Er volgde heel sterk
De enige zet was 3…f5□ waarna de kansen in evenwicht zijn.
4. Df4!
hetgeen in alle varianten wint. Bijvoorbeeld:
4…gxh5
4…Le6 5. Dh6 gxh5 6. Dxh7# is misschien wel zo eenvoudig 😊. [De auteur geeft merkwaardig genoeg hier 6. Lxh7+ Kh8 7. Lb1+] 4…Kg7 5. Dh6+ Kf6 6. Dxf8 gxh5 7. Dh8+ Ke7 8. Te1++-
5. Dg5+!
Deze tussen is cruciaal.
5…Kh8 6. Dh6












Want er dreigt nu op twee velden tegelijkertijd mat! Na
6…f5 7. Dxf8+ Dg8 8. Dd6+-
en wit staat op winst vanwege de onveilige zwarte koning (PR). 8. Dd6 b6 9. Te1 Lb7 10. Dd4+ Dg7 11. Dxg7+ Kxg7 12. Te7+ met stukwinst.
0-1
De les van dit fragment volgens Peter is: vermijd tijdnood. En verwacht niet al te veel kwaliteit en diepgang in rapidpartijen.
Schaken een obsessie?
Een leuk en intrigerend onderwerp (dat van hoofdstuk 5) is de vraag wat de drijfveer bij iemand kan zijn dat hij blijft schaken. Dat is voor iedereen verschillend uiteraard en de auteur noemt ook diverse van die drijfveren (zoals ‘schaken als een obsessie en daarmee een verslaving’). Dan vervolgt hij met ‘wat het ook is, je blijft langer schaken als je je eigen speelstijl – die overeenkomt met je karakter – trouw kunt blijven’. Als voorbeeld haalt hij een citaat van Garry Kasparov aan, waarin Kasparov na een slecht resultaat in een match het volgende zei: ‘Caissa, de godin van het schaakspel, heeft mij gestraft voor mijn behoudende speelwijze, omdat ik daarmee lijnrecht tegen mijn natuur ben ingegaan’. Je kunt dus het beste je natuur volgen: als je ervan houdt om risico’s te nemen dan past aanvallend spel het beste bij jou. Ramaekers vervolgt hoe je tijdens een partij dichtbij jezelf kunt blijven. Hij zegt dat het natuurlijk heel persoonlijk is maar dat het bij hem goed werkt om vlak voor de partij naar muziek te luisteren. Ik heb even nagedacht hoe dit laatste van toepassing is op mij. Waar Peter beroemde klassieke muziek aanhaalt, geldt voor mij dat ik vermoedelijk meer mijn heil zou zoeken in de (hard)rock of de symfonische rock. En wat mijn speelstijl betreft: ik sta bekend om mijn strategische en principiële aanpak, waarbij mijn eindspeltechniek me altijd van pas kwam. Maar naarmate de jaren beginnen te tellen, merk ik dat er weinig over is gebleven van deze drang naar “de waarheid te zoeken” in een partij. Ik mag blij zijn als er halverwege niet al van alles uit de hand is gelopen. Ik kom er steeds meer achter dat het energieniveau voor het spelen van partijen op niveau erg belangrijk is. Het verklaart misschien waarom Loek van Wely – die toch al de 50 is gepasseerd – nog altijd een zeer behoorlijke Elorating heeft. Hij stond erom bekend zich af te beulen in een fitness centrum en hij is fysiek nog steeds erg fit. Het is leuk om over dit soort kwesties te filosoferen en in mijn herinnering komt een uitspraak van Botwinnik naar boven: de top van een schaker zou volgens hem op zijn 35ste liggen. Dan zouden namelijk de curven van schaakkennis en energielevel elkaar kruisen. Deze uitspraak deed hij natuurlijk decennia geleden en inmiddels is die misschien achterhaald. Het verwerven van kennis is door de intrede van de computer, met de vele geavanceerde schaakprogramma’s, apps en platforms, om nog maar niet te spreken van de kunstmatige intelligentie, vele malen versneld. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom we nu een wereldkampioen hebben die het al op zijn 18de werd. En ook dat er zoveel spelers in de top 10 van de wereldranglijst zijn terug te vinden die de 20 maar net gepasseerd zijn. In het laatste kandidatentoernooi was Anish Giri (geboren 28 juni 1994) de nestor van het gezelschap. Heeft Giri daarom het momentum gemist om wereldkampioen te worden (hij werd tweede achter Sindarov die de uitdager van de wereldkampioen later dit jaar wordt)?
Jan Rooze
Voor alle oudere spelers is de Belgische schaker Jan Rooze een grote inspiratiebron. Het interview dat Ramaekers met hem hield laat zien dat je nooit te oud bent om te leren. In zijn inleiding zie ik dat het blijven schaken tot op hoge leeftijd van belang is om je brein plastisch te houden. Het principe ‘Use it or lose it’, gaat bij gevorderde leeftijd zeker op en wordt bijvoorbeeld ook door psycholoog Karel van Delft gebruikt bij trainingen in Apeldoorn en in een rubriek in zijn onvolprezen wekelijke nieuwsbrief komt het altijd aan bod. Zie: Schaakacademie Apeldoorn.
Terug naar Jan Rooze (geboren in 1947) die na een werkend leven pas weer ging schaken toen hij met pensioen was. Hij heeft zijn oude hobby opnieuw opgepakt en was ongelooflijk succesvol. Zo haalde hij op 67-jarige leeftijd (2014) de IM-titel, hetgeen niet zomaar iets is. In 2015 werd hij Europees Kampioen (bij de senioren +65) en in 2023 werd hij zelfs wereldkampioen (bij de senioren +75). Dat zijn klinkende prestatie waar je mee kan thuiskomen! Het interview met Jan werd gehouden in 2024 en de belangrijkste vraag was natuurlijk wat het geheim achter zijn successen was. Zo zegt Rooze dat hij al veel ervaring had en toen hij stopte ook al een Elorating van bijna 2400 had. Hoewel hij zeer bescheiden in zijn antwoorden is, geeft hij aan dat talent een belangrijke randvoorwaarde is om als herintreder succes te kunnen zijn. De tweede randvoorwaarde is om de openingstheorie van het moment dat je weer begint te “updaten”. Daarnaast zijn er volgens Jan nog meer parameters die invloed kunnen hebben op de mate van succes. Zo noemt hij onder andere:
• Als je de ambitie hebt om iets te bereiken, dien je hard te werken
• Opbouw van het openingsrepertoire dat aansluit bij je stijl
• Veel spelen (op niveau)
• Je eigen zwakten herkennen en daaraan werken
• Zo goed mogelijk proberen fysieke en mentale veroudering tegen te gaan (om gebrek aan energie zo lang mogelijk tegen te gaan).
Een voorbeeld:
Jan Rooze – Vlastimil Jansa





In deze stelling ging GM Jansa de fout in.
39…Kf6??
Hier zal vermoeidheid ongetwijfeld ook een rol hebben gespeeld. Er volgde nu sterk
Zwart heeft goede remisekansen na 39…Th4 hoewel hij nog even zal moeten werken.
40. Tg8!
Dit houdt de zwarte koning af en dreigt h6-h7. Vermoedelijk zal Jansa er nu achter gekomen zijn dat de geplande verdediging met
40…Th4





faalt op het sterke
41. f4! Th1
41…Txh6? 42. fxg5++-
42. fxg5+ Kf5 43. b4
Wit heeft nu twee verre vrijpionnen die de beslissing brengen.
43…f6 44. b5 fxg5 45. b6
Een van beide pionnen loopt naar de overkant.
1-0
Tot slot nog een bliksemoverwinning tegen een andere gerenommeerde grootmeester:
Jan Rooze – Bojan Kurajica
1. e4 c5 2. Pf3 Pc6 3. Lb5 e6 4. Lxc6 bxc6 5. d3 f6 6. O-O g6 7. Pa3 e5 8. Pe1 d5 9. f4 dxe4 10. fxe5 f5 11. Le3 Le6 12. De2 Dd5 13. dxe4 Dxe4 14. Df2 Ph6 15. h3 Pf7 16. Pd3



















16…Pxe5 17. Pxc5 Lxc5 18. Lxc5 Pd7 19. Tfe1 Dd5 20. Tad1 Dxa2















21. b3 1-0
Het lange hoofdstuk 7 staat geheel in het teken van de interviews met topschakers. Zo vult Ramaekers een lang en zeer lezenswaardig hoofdstuk met GM Paul van der Sterren (tweevoudig Nederlands kampioen en wereldkampioenskandidaat geweest) die uitweidt over zijn voortdurende worsteling met het schaken in zijn leven als professioneel schaker. Zo komt meermalen Pauls autobiografie “Zwart op op Wit – Verslag van een schakersleven” ter sprake. Daarin is onder andere aandacht voor de beroemd geworden overwinning van Van der Sterren op Victor Kortchnoi, Wijk aan Zee 1978.
Van der Sterren – Victor Kortchnoi
1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Lb4 4. e5 c5 5. a3 Lxc3+ 6. bxc3 Pe7 7. Pf3 Pbc6 8. Ld3 Da5 9. O-O c4 10. Le2 Ld7 11. a4 Pc8 12. Dd2 Pb6 13. Dg5 Tg8 14. Ta3 h6 15. Dh5 Pxa4 16. g3 b5 17. Ld2 Dd8 18. Tb1 De7 19. Taa1 a6 20. Ph4 O-O-O 21. Pg2 Kc7 22. Pe3 Ta8 23. f4 Pb6 24. f5 b4 25. Tf1 g6 26. fxg6 Txg6 27. Df3 Le8 28. Df4 bxc3 29. Lxc3 Dg5 30. Df3 a5 31. Pg2 Pb4 32. Pf4 Tg8 33. Tfb1 Dd8 34. Df1 Pc6 35. Tb5 a4 36. Db1 Ta6 37. Db2 Ld7 38. Da3


















38…Pxd4 39. Dc5+ Kb7 40. Lxd4 Lxb5 41. Dxb5 a3 42. Lh5 Dc7 43. Pe2 De7 44. Pc3 Dd7 45. Db4 Tg5 46. Txa3 Txa3 47. Dxb6+ Ka8 48. Pb5 Db7 49. Dd8+ Db8 50. Dd7 Db7 51. De8+ Db8 52. Dc6+ Db7 53. De8+ Db8 54. Dc6+ Db7 55. Dd6 Taxg3+ 56. hxg3 Dxb5 57. Df8+ Kb7 58. Dxf7+ Kb8 59. Kg2 Da4 60. Df8+ 1-0
Van der Sterren geeft aan dat hij in een soort trance raakte tijdens deze partij die hij tegen een geweldenaar moest spelen. En in die gemoedstoestand lukte het hem ‘om alles helder te zien, terwijl alle overbodige onzin wegviel’. In bovengenoemd boek wordt uitgebreid beschreven hoe de witspeler tot deze topprestatie wist te komen.
De volgende interviews zijn met kleurrijke figuren in het Nederlandse schaak, grootmeester-in-ruste, Karel van der Weide en de IM’s Rini Kuijf en Manuel Bosboom. Zeker als je deze heren van nabij hebt meegemaakt, is leuk om te lezen hoe zij tegen de verschillende facetten van het schaakspel en hun loopbaan aankijken.
Hoofdstuk 9 (Geheugen en patronen zien) lijkt me duidelijk een hoofdstuk waarin de auteur zijn ei kwijt kan. Hij gaat in op een paar vragen, bijvoorbeeld of succesvolle patroonherkenning iets is wat sterkere schakers van zwakkere onderscheidt? Het gaat veel te ver om hier verder op in te gaan maar Ramaekers snijdt heel interessant materie aan, waarbij hij ook (terecht!) kritisch kijkt naar wat diverse onderzoekers beweren. Ramaekers laat met enkele schema’s en tabellen diverse aspecten zien wat er bij het bedenken van een zet zoal om de hoek komt kijken. Ik bespeur hier ook zijn wetenschappelijke achtergrond want hij is niet alleen goed gedocumenteerd maar hij kan volgens mij het kaf goed van het koren onderscheiden!
In het slothoofdstuk (10) mag de lezer schaaktechnisch aan de slag. Er worden opgaven van allerlei soort aangeboden. Een substantieel aantal kende ik al, er zitten veel leuke opgaven tussen. De terminologie die de auteur gebruikt voor tactische thema’s is wat gedateerd. In de gemoderniseerde Stappenmethode van Cor van Wijgerden worden andere termen gebruikt (zo valt “overbelasting” daar onder één van de verschillende thema’s van “uitschakelen van de verdediging”) maar dat mag de pret niet drukken.
Conclusies
Behalve dat ik het boek met veel plezier heb gelezen, denk ik dat er veel aan bod komt, dat een schaker kan helpen om zijn kwetsbaarheden, zowel op het mentale als het schaaktechnische vlak, weg te werken. Peter Ramaekers is er wat mij betreft uitstekend in geslaagd om nou eens niet alleen schaaktechnische zaken te bespreken, maar veel meer in te gaan op de innerlijke strijd die elke schaker met zichzelf voert. Hoewel ik me daar als schaaktrainer ook al decennialang mee bezig heb gehouden (aangezien mijn pupillen uiteraard ook met verschillende kwetsbaarheden kampen) heb ik het nodige geleerd van datgene dat Ramaekers heeft opgetekend. Uit alles blijkt dat hij goed heeft nagedacht over de worsteling die iedere schaker heeft tijdens een partij en hij zet helder uiteen wat eraan te doen valt. Daarbij richt hij zich op de oudere schaker, maar ik denk dat juist ook jongere schakers er baat bij zouden hebben, als ze zichzelf een spiegel voor zouden houden om te ontdekken waar je goed en vooral ook waar je niet goed in bent. Dat kunnen soms pijnlijke constateringen zijn, maar die zijn nodig om je algehele spel naar een hoger niveau te kunnen tillen. Ik raad iedereen die zich afvraagt aan hoe hij/zij een sterkere schaker kan worden en vooral op mentaal gebied stappen wil maken, dit boek aan te schaffen en grondig te lezen!
Alle fragmenten en partijen via de viewer:
- Auteur: Peter Raemakers
- Publicatiejaar: 2025
- Aantal pagina’s: 154
- Uitgever: Thinkers Publishing
- ISBN: 9789493435018
- Teaser
- Hardcover: € 35,00
- Softcover: € 29,00
- Bestellen

