Wat anders spelen zonder een hele nieuwe opening te leren. Kan dat?

Het boek wat ik wil bespreken is; Creative Chess Opening Preparation geschreven door Viacheslav Eingorn met de ondertitel – How to seize the initiative and pose novel problems for the opponent. De titel intrigeerde me. Normaliter zie je titels langskomen met of sec de naam van de opening die behandeld wordt of How to beat…, How to win with, enzovoorts. Waar zou dit boek over gaan? Kennelijk niet over 1 opening maar over meerdere en dan ook nog creatief. Wat moest ik me daarbij voorstellen. Fantasie-openingen? Wilde varianten? Openingen die streven naar rare materiaalverhoudingen. Dus daarom werd het boek besteld en gelezen. En het tijd is om een review te geven komt ook al direct een eerste probleem om de hoek kijken. Want, alhoewel het boek over de opening gaat is het toch niet een boek zoals “gewone” openingsboeken. Daarin bestudeer je een opening ongeveer als volgt; dit zijn de algemene ideeën en daarna volgen vaak specifieke varianten, maar zo is dit boek niet opgebouwd. Dit boek laat meer de ideeën achter de zetten zien en daagt je uit om dan vervolgens je eigen openingsrepertoire onder de loep te nemen en te kijken of die aan te passen is met je nieuw opgedane kennis. Daarom is het ook moeilijk om een kort, helder en gestructureerd overzicht van het boek te geven want zo is het boek namelijk zelf niet opgezet. Daarom ditmaal best wel wat diagrammen om te laten ziet wat het boek in 6 hoofdstukken (elk weer opgedeeld in 3 onderdelen) onder andere behandeld.
Hoofdstuk 1 – Openingsexperimenten
Allemaal hebben we denk ik wel de basisbeginselen uit de stappenmethode of pionnen-toren-koningsdiploma geleerd. Bezet het centrum, ontwikkel stukken, breng je koning in veiligheid, Pionnen alleen maar zetten als het nut heeft of moet, etc…. En vervolgens zijn er tientallen partijen die in boeken worden behandeld waarbij de ene partij zondigt tegen de regels en er vervolgens genadeloos door de andere partij van het bord wordt gekegeld. Maar toch zijn er (tegenwoordig) spelers (of zelfs openingen) die tegen de regels zondigen en daar mee weg komen. En dat ligt dan niet aan een ratingverschil van meer dan 400 punten.
Bijvoorbeeld Aljechin – Nimzowitz (Bled 1931) waarin volgde 1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Lb4 4. Pe2 dxe4 5. a3 Lxc3+ 6. Pxc3. Heeft wit nou niet gewoon tijd verloren en kan de pion niet gewoon met f5 gedekt worden? Of is dat nu net een hele slechte zet? 






















Of (om een recentere partij te nemen) Spasski – Liogky (2002) 1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Lb4 4. e5 c5 5. a3 Lxc3 6. bxc3 Pe7 7. Dg4 en nu … Kf8. Wat tegen de regel van het rokeren indruist. 






















Of Eingorn – K. Georgiev (2002) 1. d4 d5 2. c4 c6 3. Pf3 Pf6 4. Pc3 a6. Waarom a6? Het jaagt niets weg en voorkomt niet direct iets? 
























Zomaar 3 voorbeelden uit het boek waar de ene partij duidelijk tegen een regel zondigt maar als je naar het verloop van de partij kijkt daar niet voor gestraft wordt. Ja, in de analyse met de computer erbij blijkt dat men het niet allemaal even goed heeft gedaan in het verdere verloop van de partij maar er was geen manier om het direct af te straffen. En misschien is dit wel waarom dit soort experimenten ontstaan. Je hebt je zelf kunnen voorbereiden op die zet en de ander niet. Of misschien wil je de uitdaging van gewoon het spel spelen wel aangaan met je tegenstander in plaats van de competitie wie de langste variant kon onthouden.
De conclusie aan het einde van het hoofdstuk is dat de van oudsher gezonde openingsprincipes vaak van toepassing en gezond zijn maar dat er zich altijd mogelijkheden voordoen om af te wijken.
Hoofdstuk 2 Verstoor de balans
Hoofdstuk 2 behandeld het verbreken van de balans. Wit heeft een klein voordeel door te mogen beginnen en kan als eerste het centrum bezetten, stukken op de juiste plaats zetten en zwart moet daarop reageren. Eingorn behandeld een aantal motieven.
1) Zwart aapt na en een vrijwel symetrische positie ontstaat en op een gegeven moment doet zwart een afwijkende zet. Bijvoorbeeld een offer of een positionele concessie. In dit geval de zet … Pe4 in plaats van het volgens oude principes (ontwikkel stukken) solidere … Lf5. Wat misschien objectief bezien wel beter is maar ook zwart minder kansen geeft op voordeel. 






















2) Zwart speelt een gambiet om het initiatief over te nemen.
3) Wit speelt een gambiet waardoor hij van mening is dat hij nog meer voordeel heeft dan alleen de beginzet.
Gambieten voor zwart worden over het algemeen afgeraden want ze zijn niet gezond. Maar vind de weerlegging maar eens achter het bord. Tenslotte hebben we niet allemaal een ELO van 2500+. Het doorbreken van de symetrie is een betere optie tenslotte is dat ook een methode die vaak in reguliere openingen voorkomt.
Hoofdstuk 3 – Strategisch plannen
Hoofdstuk 3 gaat in eerste instantie over het accepteren van een bekend lange termijnnadeel (een dubbelpion of een stuk tegen pionnen) maar daar tegenover staat dan wel een actueel voordeel. Activiteit en aanval. Daarna laat het een aantal posities zien die erg op elkaar lijken maar toch verschillend van elkaar zijn en hoe ze behandeld worden door de grootmeesters. Maar hoe maak je nu keuzes? Welk plan heeft de voorkeur boven de anderen en waarom? Eingorn laat dat zien aan de hand van een aantal partijen waarbij wit accepteert dat hij een geïsoleerde d-pion heeft en een dubbele f-pion maar wel meer ruimte, ontwikkelingsvoorsprong en aanval. 




















Daarna wordt het idee van de noodzakelijkheid van een zet behandeld. Moet je een zet doen… dan moet je hem doen, maar als de zet wel goed is maar niet moet zijn er dan alternatieven die de tegenstander voor lastig keuzes stellen. En welke zet doe je dan?
Hoofdstuk 4 – Openingsstructuren
Hoofdstuk 4 gaat in eerste instantie kort over openingsstructuren. Aan de hand enkele voorbeelden maakt Eingorn duidelijk dat het een bewuste keuze kan zijn hoe jij je partij wilt opzetten. Zoals in de volgende stelling. 























Het tweede gedeelte gaat over het feit dat openingstheorie in de loop der tijd zich steeds meer uitkristalliseerd. Natuurlijk gebeurd dit eerst bij openingen die op dat moment bij de top van het schaken in trek zijn maar geleidelijk aan wordt het hele scala meegenomen. En dan is het tijd voor de zet die misschien niet optimaal is, maar die ook niet slecht is. Hij belooft misschien net iets meer of minder nadeel/voordeel dan de optimale zet. Maar het brengt je tegenstander misschien wel op onbekend terrein terwijl jij je weg nog weet. De stelling lijkt nog op de hoofdvariant maar is toch net iets anders. En dat is ook een manier om openingsvoordeel te behalen.
Het derde gedeelte gaat over gelijksoortige structuren die uit/in verschillende openingen kunnen voortkomen.
Hoofdstuk 5 – Het moderne spel
Hoofdstuk 5 geeft een klein inkijkje in de geschiedenis van de ideeëen over openingstheorie. Bijvoorbeeld de begin positie van de Svesnikov-variant van het Siciliaans. Het oordeel van velen in vroegere jaren; – De nadelen van zwarts … e5 zijn overduidelijk en geven wit een permanent stuctureel voordeel. Daarom moet je dit niet spelen. – En dan daar de mening van Svesnikov zelf tientallen jaren later tegenover; – Wit moet niet als zwart 2. Pc6 speelt in de Siciliaan ingaan op een open spel met 3.d4 want dat geeft zwart de gelegenheid tot de tegenstoot … e5. En jaren later is het oordeel nog steeds niet definitief. Of zoals de bekende Amerika-kenner Raymond Mens vaak zegt; Soms kunnen 2 dingen tegelijkertijd waar zijn. 






















Of wat te denken van 1. e4 e5 2. Dh5? 



















































Hoofdstuk 6 – De kaleidoscoop
Het zesde en laatste hoofdstuk voelt voor mij toch een beetje aan als herhaling van eerder materiaal met wat meer diepgang op sommige punten. Het eerste gedeelte komt met a) (opnieuw) g4 en b) de sub-optimale zet die andere problemen naar voren brengt dan de bekende hoofdvarianten. Daarna komt er een stuk over openingen waarbij geheel nieuwe concepten zich opdringen. Grootmeesters zoals Motwani die zich toeleggen op eigen inzichten en ideeën. En tot slot wordt stilgestaan bij de ontwikkeling van een opening(svariant), te weten 1. d4 e6 2. c4 Lb4+ 


























Tot zover dus structuur en inhoud van het boek. De opzet en layout van het boek is overzichtelijk. Twee nette kolommen, duidelijk taalgebruik. Oh ja, wel in het engels. En de verhouding tussen pure varianten die worden gegeven en tekstuele toelichting op de varianten is mijns inziens goed. Niet alleen maar een + of – als stellingsoordeel maar ook waarom dan. Voor een korte blik in het boek volg deze link; http://www.gambitbooks.com/pdfs/Creative_Chess_Opening_Preparation.pdf
Maar wat heb ik nu geleerd nu ik het boek heb doorgenomen? Nou, … eigenlijk niets en toch weer heel veel. Dat klinkt als een contradictio in terminis en behoeft dus enige toelichting.
Ik heb “niets” geleerd wanneer je het vergelijkt met een normaal openingsboek. Dan heb je de stof tot je genomen en eigen gemaakt en ben je nu op het punt gekomen dat je zegt; Deze opening gaan we spelen en ik ben goed voorbereid. Wie ingaat op “mijn variant” staat een hard gevecht te wachten. En dat gevoel heb ik niet aan het einde van dit boek. Dat kan ook niet want Eingorn behandeld geen opening, licht de ideeën achter de openingstheorie toe, laat zien hoe de theorie ontstaat, enz. Dus als je de verwachting hebt dat je na dit boek te hebben gelezen aan de slag kunt op het schaakbord met je nieuw verworven kennis, dan zul je van een koude kermis thuiskomen want het boek reikt je ideeën aan en geen kant en klaar variantenoverzicht in een bepaalde opening. Je hebt mazzel als toevallig een onderdeel van een opening die je speelt wordt besproken bij een thema.
Maar ik heb ook weer “veel” geleerd want het boek heeft me laten zien dat schaken meer is dan steeds maar de beste zet doen. Misschien wel juist door bewust een iets mindere zet te doen neem ik mijn tegenstander mee naar terrein wat hij niet kent en waar hij op eigen kracht is aangewezen terwijl ik me nog op bekend terrein bevind. En dat kan dus zijn door te vechten voor initiatief, een structureel nadeel te accepteren op de lange termijn maar dan actueel een ander voordeel te hebben, een verrassende opstoot te plaatsen waardoor het strijdtoneel in ene helemaal veranderd. Enfin, al die dingen die in de 6 hoofdstukken aan bod zijn gekomen. En die nieuwe kennis is natuurlijk pure winst alleen de praktische toepassing daarvan vereist nog wel een aantal stappen die je zelf moet zetten.
Je zult je eigen openingsrepertoire door moeten nemen. Wellicht met behulp van een actueel openingsboek 🙂 waar dan die creatieve zet of variant in staat aangegeven. Of anders met behulp van de computer dan wel internet en een Dbase. Want het boek leert je niet hoe je zelf je eigen ideeën kunt ontwikkelen en testen. En dat is misschien ook de makke van het boek en (waarschijnlijker) van mezelf. Want met mijn speelsterkte ideeën ontwikkelen? Echt gezonde ideeën. Ik zie het mezelf niet zo gauw doen. Daarvoor ben ik niet goed genoeg en dan is kopiëren uit een Dbase of boek toch makkelijker. Maar het boek heeft me wel laten zien waar je dan op moet letten en dat is het begin! Want tenslotte gaat het niet alleen maar om het winnen maar ook om het spel.
Ik zou het boek wel aanraden maar wel met de disclaimer erbij dat je a) nadat je het boek hebt doorgenomen flink aan de slag moet met je eigen repertoire en b) een ELO van 2000+ zeer aan te bevelen is!
Waar kun je het boek krijgen en wat krijg je?
Een boek van 160 pagina’s (afmeting 25 cm x 17 cm) zowel verkrijgbaar in paperback, hardcover als e-book. En afhankelijk van wat je neemt varieert de prijs.
Deze link betreft de bestelpagina bij Gambit books. http://www.gambitbooks.com/books/Creative_Chess_Opening_Preparation.html

