Mat en remise-overeenkomst

Aan wiens kant staat het recht als beide partijen gelijk hebben?

In de SGS-competitie heeft een speler nog maar 32 seconden bedenktijd, terwijl zijn tegenstander nog dertien minuten bedenktijd heeft. Weliswaar is de stelling voor hem gunstig, maar hij twijfelt of hij de matzet binnen de beperkte hoeveelheid tijd kan uitvoeren. Nadat hij 77. … Td6+ heeft gedaan biedt hij remise aan. De tegenstander aanvaardt dit aanbod. Kort daarna ontdekt de speler dat de schaakzet de matzet was. Hoe nu te beslissen? Wijkt de remise-overeenkomst voor de matzet? De wedstrijdleider verklaart de partij voor remise.

Deze zaak is een voorbeeld van een geval waarbij de correctie van het Voorwoord op artikel 5.1 (mat beëindigt de partij onmiddellijk) van toepassing is. Strikt vasthouden aan de toepassing van artikel 5.1 is in strijd met een of meer elementen van het Voorwoord. Het gaat om de motivering van de beslissing.

Overzicht van aantekeningen

  1. Mat en remise
  2. Het ingetrokken bezwaarschrift
  3. De opvattingen van Gijssen
  4. Wettelijke bepalingen
  5. De kern van het probleem
  6. Het Voorwoord op de FIDE-regels
  7. De eerste fase: bijzondere omstandigheden van het geval
  8. De tweede fase: redeneren naar analogie
  9. Tijdsdruk is wezenlijk element van schaken
  10. De afweging in de SGS-zaak

30. … Db6+ 31. c5 Dxb3 32. cxd6 Db6+ 33. Kh1 Pc6 34. d7 Pd4 35. Dd5 Tg7 36. De4 Tgxd7 37. g3 Db3 38. f4 Dd5 39. Dxd5 Txd5 40. fxe5 fxe5 41. b4 Kf7 42. h3 Te8 43. g4 Td6 44. Td3 Td7 45. T1d2 Td5 46. Th2 a6 47. a4 Kf6 48. a5 Tb5 49. Td1 Pc6 50. Tb2 Pd4 51. Tbb1 Td5 52. Td2 Tc8 53. Tb3 Tc4 54. Tdb2 Pb5 55. Tb1 Tdd4 56. T3b2 Td3 57. Kg2 Pd4 58. Th1 Zwart heeft een gewonnen stelling, echter de tijdsdruk begint mee te wegen.

58. … Tcc3 59. Kf2 Txh3

Door materiaal te winnen hoopt zwart meer grip op de partij te krijgen.

60. Txh3 Txh3 61. Kg2 Tb3 62. Tc2 Txb4 63. Tc6+

Achter de paaltjes heeft zwart moeite met de verdediging.

63. … Kf7 64. Txa6 Tb5 65. Txh6 Txa5 66. Kg3 Tc5 67. Tg6 e4 68. Te6 e3 69. Txe3 Pc6 70. Te6 Pe5 71. Tf6+ Kg7 72. Th6 Pf7 73. Tf6 Kg8 74. Kf3 Kf8 75. Ke4 Tc2 76. Kd5 Td2+ 77. Ke6

Wit heeft nog dertien minuten bedenktijd, zwart nog 32 seconden. Op dat moment ziet de stelling er als volgt uit.

Zwart doet 77. … Td6+. Hij brengt de klok van wit in beweging en biedt remise aan. Wit accepteert dat.

Daarop ziet zwart dat hij zijn tegenstander heeft mat gezet. Hij beroept zich op artikel 5.1.a van de FIDE-regels.

De wedstrijdleider beslist dat de uitslag remise is. Tegen die beslissing tekent zwart bezwaar aan bij de competitieleider van de SGS. Ook vraagt hij mijn mening.

3.De opvattingen van Gijssen” name=”tekst3″>3.De opvattingen van Gijssen

Gijssen heeft over soortgelijke gevallen wel eens zijn mening gegeven, vgl. de volgende zaken.

In Peru heeft Alenadro Mendoza een vreemd geval meegemaakt. Een speler geeft de partij op. Echter de volgende dag gaat hij naar de wedstrijdleiding en claimt dat de uitslag van zijn partij ongeldig is. Aan de hand van zijn notatieformulier laat hij zien dat hij zijn tegenstander mat had gezet. De wedstrijdleiding accepteert deze claim niet, omdat beide spelers de eerdere uitslag hebben aanvaard.

Gijssen om raad gevraagd, citeert de artikelen 5.1 a en b, 7.4a en 8.7. Hij meent dat op grond van artikel 8.7 het voor een organisator mogelijk moet zijn de uitslag te wijzigen. Hij meent dat op grond van artikel 5.1 de partij door de matzet voorbij is. ‘De matzet hoeft niet te worden geclaimd, de partij is eenvoudig voorbij, en alles wat nadien is gebeurd is domweg niet meer relevant’, aldus Gijssen, april 2005, Those cheating ways.

Daar staat tegenover dat Hans van Mulekom heeft meegemaakt dat een speler een zet heeft gedaan waardoor de koning schaak komt te staan. Vervolgens biedt de speler remise aan en brengt de klok van de tegenstander in beweging. De tegenstander aanvaardt het aanbod. Na afloop van de partij ontdekken zij dat de koning niet alleen schaak staat, maar dat het zelfs mat is. Beide spelers hadden dat niet bemerkt. Hoe moet de uitslag luiden?

Gijsen wederom om advies gevraagd, citeert de artikelen 5.1 a en b en 9.1.b. Voor Gijssen is van belang te weten of mat werd ontdekt na afloop van de partij. Zijn interpretatie van ‘na de partij’ is dat de notatieformulieren zijn getekend als bevestiging van remise. ‘Als het voorval zich voordoet bij rapid of snelschaak waar geen notatieformulieren worden gebruikt, bestaat er naar hij aanneemt geen enkele twijfel over de echte bedoeling van de spelers dat remise is overeengekomen. Men kan betogen dat na de matzet de partij voorbij is en dat de remiseovereenkomst niet heeft plaatsgevonden tijdens de partij, omdat de partij al voorbij was. Niettemin ben ik van mening dat de remiseovereenkomst in stand blijft,’ aldus Gijssen, juni 2011, Leave the tournament? Lose points!

Wat zo lastig is aan deze antwoorden, is dat zij tegenstrijdig zijn.

5.1 a. De partij is gewonnen door de speler die de koning van zijn tegenstander heeft matgezet. Dit beëindigt de partij onmiddellijk, onder voorwaarde dat de zet waarmee de matpositie werd bereikt, reglementair was.

5.2 c. De partij is remise als beide spelers dit tijdens de partij overeenkomen. Dit beëindigt de partij onmiddellijk (zie artikel 9.1).

7.4 a. Als tijdens een partij blijkt dat er een onreglementaire zet is voltooid, waaronder ook begrepen wordt het slaan van de koning van de tegenstander of het niet voldoen aan alle eisen aangaande promotie, moet de stelling teruggebracht worden naar de stelling onmiddellijk voorafgaand aan de onregelmatigheid. Als deze niet kan worden bepaald, moet de partij voortgezet worden vanuit de laatste vast te stellen stelling voor de onregelmatigheid. De klokken moeten worden bijgesteld overeenkomstig artikel 6.13. De artikelen 4.3 en 4.6 zijn van toepassing op de zet die de onreglementaire zet vervangt. De partij moet dan worden voortgezet vanuit deze herstelde stelling.

8.7 Aan het eind van de partij dienen beide spelers beide notatieformulieren te ondertekenen, waarbij de uitslag van de partij wordt aangegeven. Zelfs als deze incorrect is, blijft de uitslag gehandhaafd tenzij de arbiter anders beslist.

9.1 b. Als het toernooireglement een remiseovereenkomst toestaat dan gelden de volgende regels:

1. Een speler die remise wil aanbieden, dient dit te doen nadat hij zijn zet op het schaakbord heeft gedaan, en voordat hij zijn klok stilzet en de klok van zijn tegenstander in gang brengt. Een remiseaanbod op elk ander moment tijdens de partij is wel geldig, maar moet worden getoetst aan artikel 12.6. Aan het aanbod kunnen geen voorwaarden

worden verbonden. In beide gevallen kan het aanbod niet worden ingetrokken en blijft het van kracht totdat de tegenstander het aanneemt, het mondeling afwijst, het afwijst door een stuk aan te raken met de bedoeling er een zet mee te doen of het te slaan, of de partij op een andere wijze is beëindigd.

En tot slot luidt artikel 13.1 als volgt:

13.1 De arbiter moet erop toezien dat de FIDE-regels strikt worden nageleefd.

6. Het Voorwoord op de FIDE-regels” name=”tekst6″>6. Het Voorwoord op de FIDE-regels

Het Voorwoord van de FIDE-regels luidt in het Engels onder meer:

The Laws of Chess cannot cover all possible situations that may arise during a game, nor can they regulate all administrative questions. Where cases are not precisely regulated by an Article of the Laws, it should be possible to reach a correct decision by studying analogous situations which are discussed in the Laws. The Laws assume that arbiters have the necessary competence, sound judgement and absolute objectivity. Too detailed a rule might deprive the arbiter of his freedom of judgement and thus prevent him from finding the solution to a problem dictated by fairness, logic and special factors.

FIDE appeals to all chess players and federations to accept this view.

Omdat de vertaling van de KNSB onduidelijk is, heb ik een eigen vertaling gemaakt, die luidt als volgt.

‘De FIDE-regels kunnen niet alle gevallen regelen die mogelijk kunnen voorkomen tijdens een partij. Ook kunnen de regels geen antwoord geven op alle problemen waarmee een wedstrijdleider te maken kan krijgen. Indien gevallen niet precies zijn geregeld in een artikel van de FIDE-regels, moet de wedstrijdleider proberen een juiste beslissing te geven door naar analogie te redeneren aan de hand van situaties die wel zijn geregeld in de FIDE-regels.

De FIDE-regels gaan ervan uit dat de wedstrijdleider beschikt over de vereiste deskundigheid, over een goed beoordelingsvermogen en dat hij volstrekt objectief is.

Een te precies geformuleerde regel kan de wedstrijdleider zijn beoordelingsruimte ontnemen, waardoor hij wordt tegengehouden het probleem op te lossen

– gebaseerd op redelijkheid en billijkheid,

– op logisch redeneren en

– en om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval.

De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te aanvaarden.’

Het Voorwoord is niet in strijd met artikel 13.1 van de FIDE-regels. Dat blijkt wel, nu in het kopje van artikel 13 uitdrukkelijk tussen haakjes wordt verwezen naar het Voorwoord, ook in de Engelse versie, vgl.

– Article 13: The role of the Arbiter (See Preface)

– Artikel 13: De taak van de arbiter (zie Voorwoord)

In wezen bestaat het beoordelen van een zaak op grond van het Voorwoord op de FIDE-regels uit twee fasen. Die overigens soms moeilijk zijn te scheiden. Bij de uitleg gaat het om het idee.

De eerste fase gaat om de vraag of een bepaald voorval tijdens een schaakpartij een bijzondere gebeurtenis is waarop geen regel in de FIDE-regels van toepassing is of niet van toepassing hoort te zijn.

De tweede fase gaat over de vervolgvraag: als er sprake is van een bijzondere gebeurtenis wat moet de arbiter dan beslissen?