
Denk bijvoorbeeld aan het indienen van een aanvraag (doet er niet toe wat voor vergunning) bij de gemeente. De aanvraag moet volledig zijn, in geval van onvolledigheid moet het orgaan de aanvrager de mogelijkheid geven zijn verzuim aan te vullen. Als dit niet binnen een redelijk termijn gebeurt mag het orgaan de aanvraag buiten behandeling laten.
Een formalistische werkwijze is de volgende.
Stel, een burger dient een aanvraag in bij de gemeente voor een vergunning. Daarbij vergeet de burger iets te overleggen wat van belang is. De ambtenaar verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk, of wijst deze af wegens het ontbreken van een document. Tegen die beslissing kan de burger bezwaar aantekenen, en daarna beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State.
Allemaal kouwe drukte om niks. De burger kan gewoon daarna alsnog een aanvraag indienen met overhandiging van het gevraagde document. Het is dus alleen maar nodeloze bureaucratie. Dat kan efficienter.
Zo werd in de vorige eeuw de volgende behoorlijkheidsnorm geformuleerd. Het is voor een ambtenaar een behoorlijkheidsnorm de burger de gelegenheid te geven zijn verzuim aan te vullen. De ambtenaar mag het verzoek niet onmiddellijk afwijzen vanwege een bepaald verzuim. De burger kent het recht niet, en voorkomen moet worden dat hij voor het indienen van een aanvraag eerst het juridisch advies moet inwinnen van een rechtsbijstandverlener.
Ter illustratie een voorbeeld van Gijssen. Hij heeft eens een claim wegens driemaal dezelfde stelling meegemaakt van Korchnoi. De grootmeester had de tussenkomst van Gijssen ingeroepen, hem zijn voorgenomen zet meegedeeld, maar deze zet nog niet genoteerd. Daarop vroeg Gijssen Korchnoi deze zet eerst te noteren, wat Korchnoi weigerde. Dat was voor Gijssen aanleiding de claim niet in behandeling te nemen, waarop Korchnoi alsnog de zet noteert. Gijssen nam de claim in behandeling, vgl. april 2008, Draw claims.
Ik ben het eens met Gijssen. Het schaakrecht maakt deel uit van de waarden die gelden in ons land. Een arbiter is in wezen een ambtenaar die belast is met de uitvoering van de wet.
11. Het beoordelen van een claim” name=”tekst11″>11. Het beoordelen van een claim
Sommige wedstrijdleiders vrezen de beoordeling van een remiseclaim wegens driemaal dezelfde stelling. Er is daarvoor geen enkele grond. De toets is tamelijk eenvoudig.
De wedstrijdleider maakt de spelers erop attent dat een remiseclaim ook een remiseaanbod is. Hij vraagt de speler van LSG of hij het remiseaanbod aanvaardt. Als de speler van LSG dat doet, is de partij onmiddellijk door remise geëindigd.
Indien de speler van LSG het aanbod afwijst, vraagt de wedstrijdleider de speler van Wageningen de stelling na de 52ste zet van zwart op een apart bord te plaatsen. De speler is veel handiger in het opzetten daarvan dan de wedstrijdleider. Dat tweede bord staat liefst naast het wedstrijdbord van de spelers. Als de speler van Wageningen de stelling heeft opgezet vraagt de wedstrijdleider aan de speler van LSG of dit de juiste stelling is. Als deze dat beaamt, vraagt de wedstrijdleider de speler van Wageningen de zet 53. Ld7 uit te voeren. Daarna ontstaat de stelling zoals weergegeven in het diagram in aantekening 2.
Vervolgens vraagt de wedstrijdleider aan de speler van Wageningen wanneer deze stelling voor het eerst op het bord is verschenen. Deze antwoordt: ‘Na 49. Ld7.’ De wedstrijdleider signaleert dat in deze stelling zwart aan zet is. Daarop vraagt de wedstrijdleider de speler van Wageningen de partij aan de hand van zijn notatieformulier te vervolgen. Er volgt 49. … Ka5 50. Le8 Kb6 51. Ld7. De speler van Wageningen verklaart dat de stelling voor de tweede maal is verschenen. De speler van LSG en de wedstrijdleider verifiëren of dit juist is. De wedstrijdleider signaleert opnieuw dat ook in deze stelling zwart aan zet is. Nu tweemaal de stelling dezelfde is, vraagt de wedstrijdleider aan de speler van Wageningen de partij te vervolgen. Er volgt 51. … Ka5 52. Le8 Kb6. En nu zegt de speler van Wageningen dat door 53. Ld7 de stelling voor de derde maal verschijnt. De wedstrijdleider signaleert tot slot dat ook in deze stelling zwart aan zet is.
De speler van LSG en de wedstrijdleider concluderen dat driemaal dezelfde stelling op het bord is verschenen. De speler van Wageningen is in zijn bewijs geslaagd. Pas door deze constatering is de partij op grond van de FIDE-regels geëindigd in remise. Zo simpel is dat, en is het naspelen van de hele partij overbodig.
Over Pieter de Groot
Bekijk alle artikelen van Pieter de Groot
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.
Erg verwarrend allemaal! Voor het correct uitvoeren van een remiseclaim krijg je dus ontheffing om voor het uitvoeren van je zet deze alvast te noteren. Eerder meende ik te hebben opgevangen dat het vooraf noteren soms zelfs wordt gezien als het gebruik van hulpmiddelen. Wat is er mis met het inschakelen van de arbiter en vervolgens het indienen van de remiseclaim voorafgaande aan het ook meteen uitvoeren van de zet? Dan speelt toch dat hele verhaal rond het uitvoeren van alsnog een mogelijke andere zet niet? Van bovengenoemde opties zou ik voor 3 gaan, maar ik zou liever zien dat je een arbiter roept en vervolgens claimt terwijl direkt daaropvolgend je de zet uitvoert of mag je na een claim niet meer aan de stukken zitten? We maken het wel ontzettend ingewikkeld zo!
Interessant om nog eens te lezen hoe deze regel precies is geformuleerd, en wat er de laatste jaren zoal in is gewijzigd.
Wat betreft de voorgelegde opties: ik kies voor 2 of 3. Ik zie het verschil niet hiertussen. Beide hebben hetzelfde resultaat.
De arbiter had eerst moeten controleren of aan alle voorschriften was voldaan (zoals het noteren van de voorgenomen zet) en pas daarna de stelling moeten onderzoeken. Nu hij deze zaken heeft omgewisseld, was dat in het voordeel van de witspeler. Die wist daardoor immers na het onderzoek dat zijn geplande zet 49. Ld7 inderdaad drie maal dezelfde stelling opleverde. Als dit niet het geval was, dan had hij nog kunnen kiezen voor een andere zet. Het feit dat hij 49. Ld7 mondeling had aangekondigd, heeft geen waarde. Hij kan namelijk aanvoeren dat hij eigenlijk "Lb7" mompelde of "ik moet naar de wc". Vandaar dat het noteren van de voorgenomen zet een vereiste is.
Pieter schrijft Omdat de wedstrijdleider erop moet toezien dat zijn beslissing wordt uitgevoerd, kan de speler zijn verzuim niet herstellen. . Waarschijnlijk bedoelt Pieter hiermee dat de witspeler de zet 49. Ld7 had moeten uitvoeren, waarmee de partij was voortgezet. Dat lijkt mij onjuist: zoals gezegd, de zet 49. Ld7 is slechts mondeling aangekondigd, en heeft daardoor geen waarde. Er was dus geen beslissing die nog uitgevoerd diende te worden.
Een iets ander geval, ook uit de laatste ronde van de KNSB-competitie:
* Speler A noteert, speler B niet meer. Speler A staat twee pionnen voor en heeft meer tijd, en neemt rustig de tijd om al zettend een winstplan te vinden. Iets te rustig, want op een gegeven moment zegt speler B "Ik claim remise wegens drie maal dezelfde stelling."
* De arbiter wijst de claim af (wegens geen notatie) en pakt de klok op om speler A twee minuten extra te hebben.
* Speler B werkt de notatie bij (dus niet in eigen tijd, maar met beide klokken stil). Zijn klok wordt aangezet, en hij claimt opnieuw remise.
Claim toewijzen of niet?
Ik heb altijd geleerd dat mondeling net zo rechtsgeldig is als schriftelijk. Dat iemand daarna ontkent of wat anders beweert doet wat mij betreft niet terzake. Er staat een arbiter en een speler bij. Iemand kan ook een enorme punter onder de tafel doorgeven en zeggen dat hij niks gedaan heeft of het zachter bedoelde. Mondeling heeft volgens mij evenveel waarde, alleen de bewijsvoering is lastiger. Daarom doe je dat in het bijzijn van de arbiter. Het is wat raar om bij de arbiter mondeling met het uitvoeren van de zet remise te claimen en dan vervolgens te zeggen dat je zei dat je naar het toilet moest.
Verder zou het mooi zijn als we gewoon gingen schaken, herhalen we de zetten een paar keer, dan hoeven we elkaar eigenlijk alleen maar aan te kijken. Meestal begint het ook gewoon met een remiseaanbod, al mag dat hier in Polen niet voor de 40e zet. Dat vind ik wel een geinige regel overigens, hoewel het er een beetje raar uitziet dat een arbiter voor de 40e moet controleren of het wel daadwerkelijk 3x dezelfde stelling is geweest…
Bij de meeste normale partijen is deze poespas inderdaad overbodig, en is een mondeling overeenkomst tot remise zo gesloten. Dit geldt voor 99% van de gevallen. Hier hebben we het echter over uitzonderingen en internationale schaakregels. Als de tegenstander bijvoorbeeld uit Zimbabwe afkomstig is en de arbiter uit Mongolië, dan zou ik zekerheidshalve de zet toch maar eerst even genoteerd willen zien, en niet vertrouwen op de mondelinge informatieoverdracht.
Voor wat betreft de casus in Wageningen: terecht is de remiseclaim gewoon toegewezen, ondanks het administratieve verzuimpje van de witspeler.
In de casus van Dimitri zou ik de claim ook toewijzen. Speler B heeft wel het geluk dat hij wat extra tijd krijgt voor de notatie, maar feit blijft dat zijn remiseclaim gewoon terecht was.
Voor je een claim in behandeling neemt kijk je eerst of aan alle vereisten is voldaan. Zo kijk je of de speler de zet al heeft uitgevoerd of niet en of de zet genoteerd is. Indien je gaat kijken of het inderdaad driemaal dezelfde stelling is, dan geef je daarmee aan dat je de claim in behandeling neemt. In dit geval had de arbiter dus direkt moeten zeggen dat hij de claim niet in behandeling had kunnen nemen omdat de zet niet is genoteerd.
voor de formelen:
Formeel technisch wordt de claim dan niet afgewezen, maar niet in behandeling genomen en gaan we verder of er niets is gebeurd. De speler kan dus opnieuw de zet noteren en claimen. Hij kan ook een andere zet doen.
voor de niet-formelen:
Arbiter zegt: ‘eerst je zet noteren dan ga ik je claim bekijken’.
Vergeleken met schaakregels valt de moeilijksgraad van een partij schaak nogal mee!
@Lucas,
Er zit een groot verschil tussen de tweede en derde oplossing. In de tweede neemt de wedstrijdleider na de eerste claim een beslissing, namelijk hij wijst de claim af. Als bijvoorbeeld de claimende speler zich neerlegt bij die beslissing gaat de partij gewoon verder.
In de derde oplossing mag de wedstrijdleider pas beslissen als hij de speler eerst in de gelegenheid heeft gesteld zijn verzuim aan te vullen.
Artikel 13.3 van de FIDE-regels staat in het hoofdstuk dat gaat over de ‘taak van de arbiter’. Als een arbiter een beslissing neemt (bijvoorbeeld wijst een claim wegens driemaal dezelfde stelling af) dan moet de arbiter ervoor zorgen dat die beslissing ook wordt uitgevoerd. De achterliggende gedachte daarvan is dat discussieren met de arbiter over zijn beslissing geen zin heeft, omdat ‘eens beslist, altijd beslist is’. Te vergelijken met de klap van de hamer die een rechter geeft als hij zijn beslissing heeft gegeven. De zaak is gesloten. Als de speler het niet eens is met de beslissing van de arbiter kan hij bezwaar aantekenen bij de competitieleider. Dit alles is erop gericht de zaak niet te laten escaleren.
De tweede oplossing lokt nu juist wel discussie uit, de derde niet.
Pieter, ik begrijp je uitleg nog niet. In oplossing 2 verklaart de arbiter de ingediende claim als niet ontvankelijk. Dat betekent toch dat hij de claim niet in behandeling neemt? Als je iets niet in behandeling neemt, dan kun je het dus ook niet afwijzen. Dit is volgens mij ook de redenering die de competitieleider heeft gevolgd.
Het merkwaardige is echter dat de arbiter samen met de witspeler en de zwartspeler de stelling wel gaat onderzoeken, ondanks de latere veronderstelling dat de remiseclaim niet in behandeling is genomen.
Als dit onderzoek echter geen behandeling was van een remiseclaim, wat was het dan wel?
Feitelijk is het volgende gebeurd:
– Tijdens de partij zet witspeler de klok stil.
– Hij roept de arbiter erbij.
– Hij vertelt aan de arbiter en de zwartspeler zijn speelplan.
– Met zijn drieën analyseren ze de stelling.
– De klok wordt weer gestart.
– De partij wordt voortgezet.
Zeer vreemd dus, een partij met je tegenstander en de arbiter analyseren, terwijl deze partij nog gaande is, waarbij ook nog de klok wordt stilgezet. Een wijze les ook voor de zwartspeler, die zijn medewerking aan deze analyse eigenlijk formeel had moeten weigeren.
In het reglement staat wel een opmerkelijke bepaling in artikel 9.5:
"Als de claim gebaseerd was op een voorgenomen en genoteerde zet (9.2a; 9.3a), dan moet deze zet worden gedaan met inachtneming van artikel 4."
Volgens artikel 9.2 en 9.3 kun je uitsluitend remise claimen met een genoteerde zet (3x dezelfde stelling en 50-zettenregel).
Artikel 9.5 suggereert dat het ook mogelijk is remise te claimen zonder genoteerde zet door "Als.." aan het begin van de zin te plaatsen.
MvanLeeuwen, dat klopt – als 9.2b van toepassing is: de remisestelling staat al op het bord en de claimende speler is aan zet.
De wedstrijdleider kan het ene moment niet afwijzen en het volgende moment aan de hand van dezelfde omstandigheden de claim toewijzen. Welnu, de competitieleider geeft dezelfde omstandigheden een andere kwalificatie. Zodoende is er geen sprake van dezelfde omstandigheden, maar twee verschillende. In het eerste moment heeft de wedstrijdleider volgens de competitieleider de claim niet afgewezen, maar niet-ontvankelijk verklaard (= formeel niet inhoudelijk behandeld). Vervolgens vond er een handeling plaats waardoor volgens de competitieleider er nieuwe omstandigheden aan het licht kwamen, waardoor de claim wel ontvangen (= wel behandeld, dus inhoudelijk behandeld) kon worden. Daardoor kon de claim worden ingewilligd.
Het is een woordenspelletje voor het kwalificeren van momenten. Zoiets komt vaker voor in het recht. Je zou kunnen zeggen: een formalistische benadering.
Even voor de duidelijkheid, diegenen die de derde oplossing als de juiste vinden, vinden de oplossing van de competitieleider formeel en inhoudelijk onjuist. Reden: de competitieleider had de eerste beslissing niet als afgewezen en ook niet als niet-ontvankelijk moeten betitelen, maar als een onjuiste beslissing. Voordat wordt beslist brengt namelijk de zorgvuldigheid (= een behoorlijkheidsnorm) met zich mee de claimende speler eerst in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen. Pas daarna wordt beslist:
– weigert de speler de zet te noteren, wordt de claim afgewezen, of desnoods niet-ontvankelijk verklaard
– noteert de speler wel, wordt de claim ingewilligd.
Door die beslissing als niet-ontvankelijk (en dus als een juiste beslissing) te kwalificeren, gaf de competitieleider een verkeerd voorbeeld.
@Dimitri
Dat was inderdaad mijn partij. Ik heb echter pas mijn notatie bijgewerkt nadat de arbiter mijn eerste claim afgewezen had, mijn tegenstander 2 minuten extra heeft gegeven en de klok weer in werking heeft gesteld. Het waren ook maar 6 zetten waar precies de zetherhaling in zat, dus niet erg moeilijk.
Nog een vraag aan Pieter: Als je niet meer noteert vanwege tijdgebrek en er vindt een zetherhaling plaats, is het dan genoeg om alleen de zet te noteren waarmee 3x dezelfde stelling bereikt wordt of moet de gehele notatie bijgewerkt worden? Artikel 9.2a praat namelijk alleen maar over de uit te voeren zet.