Maakbaarheid van een schaakkampioen: ontdek en begeleid ze jong, maar hoe jong?

De toekomstige wereldkampioen schaken is nu een kind op een slaapkamertje achter een computerscherm in Delhi, Peking of waar dan ook ter wereld. Misschien wel gewoon in Nederland.

Als zo’n uniek talent in jouw land opduikt, kun je er maar beter klaar voor zijn, is het idee van de Nederlandse schaakbond, die specifiek beleid ervoor voert.

Maar zoekend naar een toekomstige Nederlandse wereldkampioen stuit de bond op een ethisch vraagstuk.

Want topschakers zoals op het Tata Steel-toernooi, dat zaterdag begint, worden alsmaar jonger, met de 14-jarige Turk Yagiz Kaan Erdogmus en 12-jarige Argentijn Faustino Oro als recentste voorbeelden. De gemiddelde leeftijd is met 23 jaar het laagste ooit.

 

Lees verder: https://nos.nl/artikel/2598292-maakbaarheid-van-een-schaakkampioen-ontdek-en-begeleid-ze-jong-maar-hoe-jong

16 Reacties

  1. Avatar
    Renzo Verwer 15 januari 2026

    Dank voor dit stuk. Ik ben zeer benieuwd wie dat niet met name genoemde talent is: binnen afzienbare tijd zal deze mens opvallen door prestaties, lijkt me.

     

    Verder: ethiek. Ik ben dol op ethiek, ik kick erop.

    Ik weet helaas ook, in mijn al hele lange leven (53) dat ethiek geen rol speelt in het leven. Hoe jammer ik dat ook vind hee.

  2. Avatar
    LDBoutens 15 januari 2026

    Hier boven de rivieren gaan we zo’n kampioen niet meer ontdekken; ons sociale vangnet zit te geweldig in elkaar. Daarom verliezen we het juist van de India’s en China’s op deze aardkloot. We hebben hier al generaties lang niet meer geleerd te werken.

    Moedig voorwaarts.

    • Avatar
      Pieter Priems 16 januari 2026

      Gelukkig hebben we nog Brabant, Zeeland en Limburg!

  3. Avatar
    Arjo Schreuders 16 januari 2026

    Dat Nederland tegen de top van de schaakwereld aanschurkt, is geen toeval. De bond voert een beleid dat zich er specifiek op richt. De doelen zijn helder: één speler in de top tien van de wereld (Giri staat zevende) 

    Giri’s opkomst heeft nauwelijks iets met KNSB‑beleid te maken omdat hij al een volledig gevormd supertalent was toen hij in Nederland arriveerde, zijn ontwikkeling vooral via privé‑coaches en internationale toernooien verliep, en zijn schaakidentiteit is gevormd in Rusland en Japan in plaats van in een Nederlands topsportklimaat. De bond had destijds geen programma’s, infrastructuur of investeringen die vergelijkbaar zijn met wat nu in het NOS‑artikel wordt geschetst, en erkent zelf dat Nederland geen cultuur heeft die zulke talenten voortbrengt. Zijn succes is dus geen resultaat van beleid, maar een toevallige externe factor waar Nederland van profiteert zonder het te hebben veroorzaakt.

    • Avatar
      Dimitri Reinderman 16 januari 2026

      Er is heel veel geld geïnvesteerd in Giri door de schaakbond. Enerzijds zeg je dat dat nauwelijks een rol heeft gespeeld, anderzijds dat privé-coaches belangrijk waren voor zijn ontwikkeling. Hoe rijm je dat?

      • Avatar
        LDBoutens 16 januari 2026

        Ik dacht me toch ook te herinneren dat een KNSB bestuur van begin deze eeuw een bedrag a 90 of 100.000 euro had gereserveerd om te investeren in de schaakcarriere van Giri.

        • Avatar
          LDBoutens 17 januari 2026

          Dag Arjo,

          Ik zie nu dat je van beleid voeren gestructureerd beleid voeren hebt gemaakt. Je verandert dus tussentijds de spelregels van je eigen bijdrage(-n). 🙂

          Geld beschikbaar stellen om een talentvolle jongeling naar de schaaktop te helpen is wel degelijk beleid voeren. Je faciliteert als bond immers hiermee tal van ontwikkelingen.

          Moedig voorwaarts!

          • Avatar
            Arjo Schreuders 17 januari 2026

            Dan verschillen we daarover blijvend van mening.
            Blijft echter dat toen Giri zich in Nederland vestigde het leeuwendeel van zijn schaakeducatie al verricht was in Rusland. En ik blijf dus bij wat ik in de laatste paar zinnen van mijn eerste bijdrage schreef.

          • Avatar
            LDBoutens 17 januari 2026

            Dag Arjo,

            Ik denk dat je ongelijk hebt met je laatste opmerking maar wellicht dat de kenners zich hier nog eens over kunnen uitlaten. Giri was een enorm talent maar het vrijmaken van dit soort bedragen ten faveure van de schaakontwikkeling van de beste jongeman heeft er onmiskenbaar aan bijgedragen.

            Afijn, geen Wintertaling die zich hier verder druk over maakt.

            Moedig voorwaarts!

  4. Avatar
    Robert Leenes 16 januari 2026

    Als we over onze eigen grenzen heen durven te kijken, dan ontdekken we soms andere talenten. Vrij naar onze eigen GVR (de Grote Vriendelijke Randfiguur):

    “Ik zag je wel, zoals je daar stond, kleine bengel.

    Je hebt gewacht, stouterd, je bent nu vrij.

    Ga je gang, op a8 wacht jou de onuitsprekelijke heerlijkheid.

    Ik heb je lief.”

    De kleine bengel mag nog fouten maken, en de stouterd mag ook buiten de a-lijn kleuren, graag zelfs! Het gaat er niet om wie als eerste op a7 is, het gaat om de route naar a8. Die loopt bij voorkeur via d5 (als je een andere afslag neemt, dan kom je nog eens ergens), in plaats van rechttoe rechtaan via de a-lijn. 

    Voor de lezers die tot hier zijn gekomen (thank you for the effort!😉) enkele leestips:

    ‘Volwassen toptalenten hadden als kind vaak een brede achtergrond’ (NRC 23/12/2025)

    ‘Recent discoveries on the acquisition of the highest levels of human performance’ (Science 18/12/2025)

    ‘Chess Improvement – It’s all in the mindset’ (Barry Hymer, Peter Wells 2020)

    En natuurlijk de moeder aller boeken voor talenten en hun begeleiders: ‘Mindset’ van Carol Dweck.

    De GVR is gelukkig heel lang kind gebleven, dat is slechts weinigen gegeven.

  5. Avatar
    Frits Fritschy 16 januari 2026

    Ik speelde een paar jaar geleden tegen een jongetje van acht op een rapidtoernooi hier in Frankrijk en ik mocht uiteindelijk blij zijn met remise. Hij wist me ook het een en ander over de opening uit te leggen. Na de partij ging hij doen wat andere jongetjes van acht doen: met een hond spelen, rondrennen etc. Ik heb hem gegoogled en hij bleek tweede te zijn geworden op het WK in zijn categorie (rating 1800 and counting) en het daarnaast goed te doen op school, gitaar te spelen en ook nog te sporten. Er zijn meer van dit soort verhalen; denk alleen maar aan de familie Polgar.

    Ik bedoel maar, de situatie bij schaken is toch wel wat anders dan bij pakweg tennis of turnen. Bij schaken ontwikkelen jonge talenten zich alleen maar als ze er plezier in hebben. Geconcentreerd nadenken kun je niet afdwingen, in tegenstelling tot over een balk lopen of tegen een bal slaan.

    • Avatar
      Pieter Priems 17 januari 2026

      Ik denk dat je alle vaardigheden  en dus ook geconcentreerd nadenken niet kan afdwingen. Het is leren en (be)oefenen. Wel opvallend dat die kinderen die op internet zitten nog geconcentreed kunnen denken. Ik betrap me erop dat door het gebruik van allerlei elektronische IT hulpmiddelen ik minder ga nadenken en zelf zaken uitzoeken. Lang gecentreerd nadenken zit toch al niet zo in mijn systeem, daar moet ik mijn best voor doen. Als het nieuw is en er een uitdaging aan vast zit gaat het al een stuk beter. Wellicht is dat de kracht van de jeugd, alles is nieuw en te ontdekken.

  6. Avatar
    Melchior Vesters 16 januari 2026

    Schaken is niet belangrijk genoeg in Nederland om er je leven aan te wijden. Wat betaalt het nou helemaal? Het idee van ‘supertalent’ – en daarvoor een slim jong mens totaal eenzijdig vormen – leeft gelukkig minder in ons landje dan in landen die meer status nastreven, zoals India of China. Dit heeft op zich niks te maken met dat we hier niet willen werken, zoals Boutens beweert, maar met de nuchtere vraag wat tijd opofferen oplevert. Ik heb genoeg sterke schakers gekend die buitengewoon slim zijn, maar een beter gebalanceerde keus hebben gemaakt voor ander werk. So what als daardoor hun schaaktop op ca. 2300-2400 ligt? Ze hebben inkomens waar een top-100-speler enkel van kan dromen.

    Verder vraag ik me af of schaken als kijksport gediend is bij een focus op tieners. Nog los van of een leven voor de camera’s niet schadelijk is voor ‘wonderkinderen’ zelf, heb ik er als kijker ook weinig mee. Iemand die alleen maar schaakt, heeft verder niks te melden. Het is niet boeiend als een jongeman zoveelentwintig zetten Siciliaanse theorie eruit kan gooien. Tuurlijk zijn dat efficiënte patronen, maar er zitten geen oorspronkelijke gedachten achter: wat een smalle vorming! Qua begeleiding zou ik het dus beter vinden als een Nederlands ‘supertalent’ wordt opgeleid om géén prof te worden, maar een breder gevormd mens.

     

     

    • Avatar
      LDBoutens 17 januari 2026

      Dag Melchior,

      Lees mijn reactie nog eens wil je. Er staat echt iets heel anders.

  7. Avatar
    Rick den Haag 16 januari 2026

    Leuk onderwerp! Voor wie het interessant vindt om meer te weten over de maakbaarheid van een kampioen, is het artikel van onder meer Ruud den Hartigh wellicht boeiend. https://www.frontiersin.org/journals/psychology/articles/10.3389/fpsyg.2016.00532/full

    Een stuk hieruit:
    “[..] we shall first give a brief overview of the existing literature on excellence, and where necessary, touch upon the related topics of talent and expertise (note that a discussion of the differences between the nature of these concepts is not the aim of this article). Already in 1869, sir Francis Galton published a book on the heredity of genius. Galton (1869) studied the family-trees of eminent scientists, poets, musicians, artists, and athletes, and found that the relatives of these individuals often were excellent performers as well. Therefore, in Galton’s (1875) words “there is no escape from the conclusion that nature prevails enormously over nurture” (p. 241). However, around that same time, De Candolle (1873) wrote a book in which he stated that environmental resources (e.g., family, education, facilities), and hence nurture, is the primary explanation for the development of excellence. De Candolle based this conclusion on his observation that excellent scientists, including Galton, were raised under beneficial environmental circumstances, such as high-quality education. He therefore concluded that a stimulating environment (i.e., nurture) is the key to excellence. These early works on excellence gave rise to the famous nature-nurture debate that has featured prominently in the domain of psychology ever since. The identification of specific nature and nurture components underlying excellent human performance has remained a major challenge.

    In line with the early ideas of Galton (1869), several researchers hold the view that excellent performance primarily develops out of a specific property in the person, in the sense of some innate talent or a gift (e.g., Mayer, 2005). This gift is often identified as domain-specific genetic endowment (e.g., Bloom, 1982Winner, 2000Simonton, 2005). This entails that individuals who have a domain-specific gift (e.g., in science, music, sports, etc.) have the potential to reach excellent performance (e.g., Gagné, 20042013). On the other hand, in accordance with the early view of De Candolle (1873), researchers have postulated that the environment plays a major role. That is, an individual’s development of excellent performance can be supported (or limited) by the home environment or the support of a teacher or coach, for instance (e.g., Sloane, 1985Jussim and Eccles, 1992Van Yperen, 19951998Howe et al., 1998Côté, 1999Barab and Plucker, 2002Bloom, 2002Baker et al., 2003aVan Bakermans-Kranenburg et al., 2005). A third point of view is that a great amount of effort, i.e., hard work and practice, is required to become an excellent performer. That is, rather than genetic endowment or the environment, many hours of deliberate and high-quality practice are the primary explanation for excellent performance. According to Ericsson and colleagues, becoming an expert often requires more than 10 years of deliberate practice (e.g., Ericsson, 2004Ericsson et al., 1993; see also Bloom, 1985Johnson et al., 2006; note that based on a recent meta-analysis, Macnamara et al. (2014) concluded that deliberate practice is not as important as has been argued).

    Although the different theoretical propositions have not discarded the role of either genetic endowment or environmental factors and practice, they have—sometimes greatly—differed in the emphasis they put on these factors (see Bloom, 1985Howe, 1990Howe et al., 1998Winner, 2000Ericsson et al., 2007Simonton, 2007Colvin, 2008Coyle, 2009). However, in general researchers seem to have reached consensus that excellence is multidimensional.”

Alleen geregistreerde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.