Wereldkampioen Gukesh neemt pauze van klassiek schaak
Het is de lezer vast wel opgevallen dat Gukesh niet zo lekker gaat dit jaar. In Wijk aan Zee eindigde hij op 50% en in Praag zelfs laatste. Op de ratinglijst van april staat hij 15e, nog onder Jorden van Foreest. Vandaar dat hij besloten heeft voorlopig geen klassieke toernooien meer te spelen zodat hij meer tijd kan besteden aan training. Dat betekent dat hij zich gedeeltelijk heeft teruggetrokken voor de Grand Chess Tour, alleen de rapid- en blitzsecties speelt hij nog.
My performance in the last few events has been quite disappointing, not just for me, but for all of you who support me.
In order to find my best form my team and I have decided that I should compete with slightly less intensity over the next few months. Consequently, we feel it… pic.twitter.com/EmtAE3hn6c
— Gukesh D (@DGukesh) March 31, 2026
Iets anders: er wordt wel eens gezegd ‘Het is raar dat de wereldkampioen niet de beste speler ter wereld is.” Maar hoe vaak is het voorgekomen dat de wereldkampioen schaken dat onbetwist wel was? Bij Kasparov en Carlsen was dat het geval, en bij Fischer, hoewel hij dat na 1972 niet heeft bewezen. Maar toen hij de titel verloor aan Karpov werd er vast gezegd “Ja, maar Fischer….” En bij de meeste (of misschien alle?) wereldkampioenen ervoor was er altijd wel een andere speler die (op een gegeven moment) beter presteerde, denk ik?


Nadat Spasski in 1969 wereldkampioen werd, speelde hij in dat jaar het toernooi van San Juan en won dat ongeslagen met 11,5 uit 15 en met anderhalf punt voorsprong. In 1970 werd hij eveneens met 11,5 uit 15 ongeslagen gedeeld winnaar van het IBM toernooi in Amsterdam, samen met Polugajevski. Daarna speelde hij niet zoveel meer en ook was hij niet langer dominant. Ik ga er vanuit dat de rating van Fischer in 1971 met zijn overtuigende overwinningen in de kandidatenmatches boven die van Spasski uitkwam.
Fischer stond in 1969 al boven Spassky: https://www.olimpbase.org/Elo/Elo196900e.html
Donner mopperde als ik het wel heb dat Spassky ratingpunten had verloren door wereldkampioen te worden en dat zo’n systeem dus nooit kon deugen.
Heel apart dat Fischer in 1969 boven Spasski stond wat zijn rating betreft, want hij speelde in dat jaar geen enkele partij. In feite speelde hij in een periode van 18 maanden van september 1968 tot maart 1970 slechts één partij in New York. Spasski wordt in 1969 wereldkampioen en wint daarna ook nog een toernooi met overmacht. Misschien had Donner het wel bij het rechte eind.
Voor zover ik weet, heeft Karpov in de ongeveer 10 jaar dat hij wereldkampioen was ook de meeste toernooien gewonnen. Hij was heel actief omdat hij ook iets te bewijzen had aangezien hij de titel “gratis” kreeg uitgereikt aangezien met Fischer nooit overeenstemming kon worden gevonden over een titelmatch.
Zeker in de eerste helft van die 10 jaar, eind jaren 70, was Karpov dominant. In de tweede helft werd het spannend, zeker toen Kasparov erbij kwam.
Toen Karpov in 1973 samen met Kortchnoi het interzonetoernooi van Leningrad won was hij zeker nog niet de favoriet om uitdager te worden. In de opeenvolgende kandidatenmatches groeide hij daar wel naartoe. En eenmaal wereldkampioen, werd hij wel degelijk de beste speler van de wereld.
Er zijn genoeg sporten, of disciplines van sporten, waarbij een outsider wereldkampioen of Olympisch kampioen wordt. Met Fischer, Kasparov en Carlsen had de schaaksport een kampioen die op dat moment ook de beste was, maar dat is geen vanzelfsprekendheid. Het is ook een beetje een probleem van de selectie/kwalificatie van kandidaten. Via verschillende routes plaatsen acht spelers zich voor het Kandidatentoernooi. Daar zitten altijd wel wat verrassingen bij en er ontbreken ook grote namen die zich niet hebben geplaatst. De winnaar van het kandidatentoernooi wordt de uitdager van de wereldkampioen. Dat is lang niet altijd de op papier sterkste van de acht kandidaten. Als die dan ook nog eens de WK-match wint heb je dus een wereldkampioen die niet de beste van de wereld is. Je kunt niet alle toevalligheden uitsluiten. Bij tennis speelt de top 8 van de ranglijst (niet de officiële, maar een die wordt opgemaakt aan de hand van de resultaten van dat betreffende jaar) aan het einde van het jaar een officieus wereldkampioenschap. Twee groepen van vier spelen Round Robin, de eerste twee van beide groepen gaan naar de halve finale en de twee winnaars van die halve finale spelen om de titel. Ook hier is het maar de vraag of Sinner en Alcaraz in de finale tegenover elkaar staan.
Er is een duidelijk verschil tussen de schaaksport en enige andere individuele sporten. Bij b.v. het wielrennen en het tennis vervallen de punten van de jaarranglijst na dat jaar. Als je wereldkampioen of olympisch kampioen wordt of iets vergelijkbaars presteert, zie je dat altijd weergegeven op de jaarranglijst. Bij het schaken blijven je resultaten drie jaar staan en daardoor kun je er (meer dan) een jaar mee stoppen, voordat dat op de ratinglijst zichtbaar wordt. Ik heb die plaatsing voor het kandidatentoernooi alleen op grond van rating altijd ongeschikt gevonden. Vroeger plaatsten zich de zes hoogst geplaatsten van het interzonale toernooi zich. Ik dacht me te herinneren dat Gukesh nog even snel wat toernooien speelde om zich voor het vorige kandidatentoernooi te plaatsen.
De meeste wereldkampioenen (Steinitz, Aljechin, Botwinnik, Fischer, Karpov, Kasparov, Kramnik, Topalov, Carlsen) waren niet alleen sterke spelers, maar hadden ook uitgesproken karakters, die bereid waren alles te doen wat reglementair was om te winnen, ongeacht wat anderen daarvan vonden. Ook Lasker, Capablanca, Spassky, Euwe en Anand lieten zich niet de kaas van het brood eten. Smyslov en Tal waren maar heel kort wereldkampioen. Zet daar tegenover Ding Liren (kwetsbaar) en Gukesh (heel jong) en je hebt een verklaring – die weinig te maken heeft met hun speelsterkte ten opzichte van tijdgenoten.
De jonge Aziaten hebben allemaal hun mindere periodes gehad. Alleen valt dat bij een wereldkampioen wat meer op en heeft dat een grotere impact, vermoed ik, op die speler zelf.