Buitenspel

Wat zeg je? Een simpele stelling? Inderdaad, je hebt volkomen gelijk. Zwart zet zijn koning op c6, zijn loper op d6, en gaat verder met h3 en h2. Daarmee verovert hij de witte loper, en vervolgens wint hij met zijn goede randpion. Elementair.
Waarom ik dat dan niet deed? Nou, dat komt allemaal door mijn jeugd. En met name door vroegere voetbalwedstrijden. Want toen stond ik altijd buitenspel.
Je moet weten: ik vond mezelf nooit goed in voetbal, en mijn vriendjes vonden dat ook. Als ik tijdens gym werd toegewezen aan een team, leidde dat bij mijn medespelers tot grote teleurstelling. Vaak probeerden ze me te ruilen tegen een speler van de tegenstander, en één keer boden ze zelfs een pakketkorting: “Als jullie hem nemen, krijgen jullie er gratis nog een speler van ons bij.”
Toen ook deze deal doodliep, kwamen ze met een plan B. De aanvoerder sloeg een arm om mijn schouder en zei: “Jij staat deze wedstrijd buitenspel.”
Het was een term die hij ongetwijfeld een keer had opgevangen, en hij gaf er een eigen invulling aan. De hele wedstrijd bracht ik door buiten de lijnen. Ik ketste stenen in het water van het park, en wandelde naar de kinderboerderij, een paar honderd meter verderop. Daar kon je geitjes voeren en lammetjes aaien.
Zo werd voetbal mijn favoriete vak.
Beker
Ik moest hieraan denken toen ik enige tijd geleden werd uitgenodigd voor een bekerwedstrijd met LSG tegen Philidor. We speelden een dubbelrondige rapidmatch, en ik zat aan bord vier. En, zo luidde de toelichting in de mail, bij een gelijke stand valt dat laatste bord af.
Toen ik het las, voelde het als vroeger. Als buitenspel. En dus had ik een historische kans om een paar zaken in mijn leven recht te zetten. Om mijn medespelers te laten zien dat ik waarde kon leveren, ook als ik daadwerkelijk meedeed. Binnen de lijnen.
Oké, de eerste partij wilde dat nog niet lukken. Ik ging remise uit de weg, en verloor een pion. Mijn tegenstander, de zeer gewaardeerde Bert van der Marel, speelde het eindspel ijzersterk.
Maar toen kwam partij nummer twee. Die verliep een stuk beter. Na een rommelig middenspel was het Bert die in de fout ging, en na een zet of dertig stond het zo.

Simpel, zeg je, en je hebt nog steeds gelijk. Koning naar c6, loper naar d6, h3 en h2 – zwart wint. Natuurlijk besefte ik dat mijn koning zo snel mogelijk terug moest naar b6. Maar zoals met zoveel dingen in het leven: het kwam er gewoon niet van.
Na wat doelloos heen-en-weer geschuif volgde het beslissende moment.

Bert heeft net 5. Lg5 gespeeld en ik antwoordde met 5…, h3. Na 6. Ld8+ ging ik mat.
Nabeschouwing
Een tragedie voor LSG? Niet echt. Want de wedstrijd was geëindigd in 4-4. En inderdaad: ons laatste bord telde niet mee.
De historische revanche bleef dus uit. Maar na ruim 50 jaar kreeg ik weer datzelfde gevoel als in de kinderboerderij. Het was goed om af te vallen. Lang leve de buitenspelregel!

