DE VERWONDERING ofwel (deel)RECENSIE: ‘Schaken, dammen, molenspel en triktrak. Een Nederlands/Vlaamse cultuurhistorie’
DE VERWONDERING ofwel (deel)RECENSIE: ‘Schaken, dammen, molenspel en triktrak. Een Nederlands/Vlaamse cultuurhistorie’
door Joop Burgerhout, Voorschoten
In de vele jaren dat ik heb gedamd, was er altijd ook interesse voor het schaken. In Oegstgeest vond in 1970 de geweldige vierkamp tussen Botwinnik, Donner, Larsen en Spassky plaats. Ik was er dagelijks, waarschijnlijk spijbelend van de HBS. Ik genoot van de sfeer, hoewel ik van de partijen weinig begreep. De spanning, de verhalen en de schaakgezichten zijn me bijgebleven.
Ik ben niet de enige dammer die van schaken weinig begrijpt, maar het wel bewondert en ervan geniet. Andersom zien we hetzelfde gebeuren. In het Leids Denksportcentrum dammen schakers van (groot)meesterlijke klasse, zoals John van der Wiel, Bert van der Marel, Eelco Kuipers, Eric van ’t Hof en Fred Slingerland, op een redelijk niveau. Bij het jaarlijks Leidse kroegdammen is hun enthousiasme opmerkelijk. Zij genieten van de sfeer.
Er is wederzijdse herkenning en bewondering. Voor bridgen en biljarten heb ik trouwens een andere vorm van bewondering. Bij schaken voel ik emoties die ik bij andere denksporten niet heb. Waar komt die emotionele bewondering vandaan? Ik ga daar zo op in, maar eerst iets over verwondering en bewondering.
DE VERWONDERING
Bewondering heeft te maken met respect, waardering en misschien zelfs adoratie. Verwondering heeft daarentegen een diepere emotionele lading die niet los te zien is van ontzag voor het raadselachtige. Dat is precies wat ik voel voor zowel het schaken als het dammen.
Ik heb ooit tijdens een van de vele nachten in het Denksportcentrum de vraag naar de verwondering gesteld, en alle schakers en dammers beaamden dat: in het spel zitten elementen die hoger reiken dan de mens. We kunnen ernaar kijken, maar het raadsel blijft.
Dat hebben de ware liefhebbers gemeen. Dammers kunnen zich verwonderen over schakers en het schaken; schakers kunnen dat ook met dammers en het dammen. Mijn boekenkast bevat honderden damboeken, maar minstens zoveel schaakboeken. De Koning van Donner, de boeken van en over Ton Sijbrands, de curiosa van Tim Krabbé en de gebundelde rubrieken van Andreas Kuyken maken verwondering los bij zowel dammers als schakers.
WAT ONS BINDT
Het antwoord ligt misschien in een gemeenschappelijke, eeuwenoude historische achtergrond. Schaken en dammen zijn geen concurrenten die los van elkaar bestaan, maar twee takken van dezelfde rijke Europese – en wellicht zelfs mondiale – bordspelcultuur. Ze hebben elkaar eeuwenlang beïnvloed, gedeeld en naast elkaar geleefd, vaak letterlijk op hetzelfde bord.
Het recente onderzoek van dr. Arie van der Stoep en zijn medeauteurs (in het boek Schaken, dammen, molenspel en triktrak. Een Nederlands/Vlaamse cultuurhistorie, 2025) geeft hiervan een genuanceerd en origineel beeld. Enkele impressies uit het boek:
WEDERZIJDSE BEINVLOEDING
Dammen vond waarschijnlijk al in de eerste eeuwen na Christus plaats in het gebied van het huidige Frankrijk, Italië en Spanje. Eeuwenlang werd het gespeeld met schijven op lijnenborden (merelles). In de veertiende eeuw maakten Europese dammers de overstap naar het schaakbord – hetzelfde bord dat ook voor schaken werd gebruikt. Vanaf dat moment deelden beide spellen fysiek dezelfde ruimte: hetzelfde bord, dezelfde omgeving, dezelfde spelerskringen.
Het damspel ontleende zijn naam aan het Franse dames (verwijzend naar de verhoogde rand van het bord – de dam, de verhoging): de schijf die de overkant haalde, promoveerde tot dam. De vroegste vermelding daarvan dateert uit 1385. Een eeuw later komt de promotie van de schaakpion aan de orde. De soldaat wordt ‘dame’, niet verwijzend naar de koningin, maar ontleend aan de dam uit het dammen. Een mooi voorbeeld van hoe de twee spellen linguïstisch en cultureel met elkaar verweven raakten.
Historische inventarissen uit Frankrijk en de Nederlanden laten zien dat dammen en triktrak vanaf de zestiende eeuw populairder waren dan schaken. Dat verandert langzaam in de achttiende eeuw. In de koffiehuizen werd zowel geschaakt als gedamd. Philidor (1726-1795) was een briljante schaker en kon goed dammen. In het voorwoord van zijn boek (1749) klaagt hij dat de schakers te veel als dammers speelden.
Tot ver in de twintigste eeuw werd er gezamenlijk gespeeld. Er waren veel clubs waar zowel geschaakt als gedamd werd – het was kostenbesparend. Voor de een was de achterkant van het bord de voorkant van de ander. De afgelopen honderd jaar is het beeld enorm veranderd. Het georganiseerde dammen heeft moeite om het hoofd boven water te houden, terwijl het schaken in vrijwel alle werelddelen floreert. Afrika is een opvallende uitzondering.
NOGMAALS DE VERWONDERING
Deze gedeelde geschiedenis verklaart voor mij de diepe herkenning die schakers en dammers voor elkaar voelen. Beide spellen vragen om strategisch inzicht, tactisch vernuft, geduld en creativiteit. Beide bieden die bijzondere combinatie van diepe verwondering en ontzag voor iets dat groter lijkt dan de mens zelf. Wie ooit een prachtige damcombinatie of een briljante schaakzet heeft gezien, herkent onmiddellijk datzelfde gevoel van verbazing en schoonheid.
Schakers en dammers zijn mede-erfgenamen van een gezamenlijke traditie. We bewonderen elkaars spel omdat we in het andere iets herkennen van wat ons zelf zo fascineert. In die gedeelde liefde voor het bord, voor de oneindige mogelijkheden en voor die momenten van pure verwondering, vinden we wat ons werkelijk bindt.
Literatuur:
Wim van Mourik, Jan de Ruiter en Arie van der Stoep: Schaken, dammen, molenspel en triktrak. Een Nederlands/Vlaamse cultuurhistorie (Middelburg, 2025)
424 pagina’s, 26,5 x 20 x 2,7 cm, gewicht: 1370 gram.
Te bestellen bij wavanmourik@planet.nl

