Recensie: Play the King’s Indian Attack! – Lakdawala

In mijn recensie van Kravtsiv’s PCO schreef ik al over de eigenaardige invloed van de computer op het spelen van een opening in de voorhand. Want zeg nou zelf: de Najdorf of een Blumenfeld met wit, dat moet toch winnen?

Zelf lokte ik 7 jaar geleden op 14 februari in de bekerwedstrijd Paul Keres-HWP Haarlem Bart Gijswijt triomfantelijk in een Benoni in de voorhand (wacht eens even, in de voorhand x2 want 2…e6 gevolgd door 14…e5 is nóg een tempo t.o.v. de normale Benoni, wijlen Vugar zou ervan smullen), om er vervolgens achter te komen dat hij zeer in zijn nopjes was met het centrumoverwicht dat hij cadeau kreeg en mij met een magistrale paardensprong de das omdeed:

19.Pe4 Pxe4 20.Lxe4 Pa7!

Niet veel later stond het paard hysterisch te hinniken op c3, echt waar, het was niet te harden, mijn fiere volbloed op h4 werd volledig overstemd. Verwoed probeerde ik het zwarte beest af te maken, maar triomfantelijk blootte het een laatste keer zijn tanden voor ik opgaf: het was als enige stuk op het bord gebleven.

In het topschaak zie je een dergelijke oneerbied voor het voordeel van een licht dubieuze maar toch niet onspeelbare zwarte opening in de voorhand terug in het gaandeweg populair geworden: 1.Pf3 d5 2.e3
Pardon?
Ja, want op 2.c4 volgt dus …d4 en het apparaat rekent doodleuk uit waarom een Blumenfeld in de voorhand, of een Wolga, of een Benoni of iets van die strekking weinig uithaalt. Het meest frappante voorbeeld hiervan vind ik 3.b4 c5 (och, die goede oude tijd waarin de Morozevich-zet …g5 nog voor een verrassing kon zorgen!) 4.e3 Pf6 5.exd4 (5.a3 Lg4 en blunder op zet 28 was Gukesh-Ding, WK2024, 1-0) cxd4 6.Lb2 e5 7.Pxe5 Lxb4 8.Da4+ Pfd7! 9.Pxd7? De7+! 10.Pe5+ Pc6 en de ene penning is de andere niet: de bedrieger bedrogen.

Wat dan gedaan met de theoretische diepgang waarvan PCO nog maar een tipje van de sluier, of topje van de ijsberg, lichtte: hoe komen wij als amateurschakers nog uit de startblokken zonder eerst een half uur een potje Memory van computerzetjes te moeten doen? In zijn voorwoord quote Lakdwala zijn vriend GM Max Illingworth: “Club Player – Stick to a relatively narrow repertoire, so that you can build up experience and get a good understanding of the middlegame positions through reviewing your games afterwards.” In tegenstelling tot een wijdverbreid repertoire van veel verschillende openingssystemen met ieder hun eigen nuance, want zie dat allemaal maar eens te bevatten! “One purpose of this book is to assist the reader in going past the range of theory to cultivate a deep understanding of the ensuing middlegame plans and typical tactical themes of all King’s Indian structures.” Hear, hear! (Gelukkig gaat Lakdwala zelf ook niet mee in de belachelijke kinderachtige ondertitel die alleen een uitgever kan bedenken “A Learn-Less, Win-More Repertoire for White”) en wijst erop dat de KIA niet vanzelf wint en ook “It’s too mild an opening to demand what some consider White’s birthright “+=” edge.” Dit is overigens niet de eerste keer dat ik mijn ergernis over zulke oppervlakkige sensatie-als-marketingstrategie uitgeverondertitels ventileer, en dat op een schaakboek nota bene!)

In het boek worden de partijen gestructureerd volgens de opzet die zwart inneemt tegen wits Pf3-g3-Lg2-0-0, waaronder: The Reversed King’s Indian, The Reversed Pirc en de KIA vs. Reversed London System, vs. French Defence, vs. Reversed English Formations.

Ik licht even twee partijen uit het recent gespeelde FIDE World Rapid & Blitz Team Chess 2026 uit om wat gevoel te krijgen bij dit boek.

Over de KIA vs. French Defence geeft Lakdwala in zijn voorwoord aan “The forecast is war.” De klassieker hierbij is Fischer-Myagmarsuren (Sousse Interzonal, 1967) en wie nu niet automatisch het h-lijn mat voor zich ziet, heeft bij deze vermakelijk huiswerk. Sowieso: als je bij de combinatie Fischer en h-lijn niet moet glimlachen, kun je beter gaan dammen.

In dit artikel uit 2019 belicht Dimitri een modelpartij van Jorden tegen de KIA:

Nederlanders eindigen op 6.5 uit 11 bij EK Skopje – Schaaksite. Hoe anders verging het hem de eerste ronde van het Rapid tegen IM Yanbin Wang: een zeer onkarakteristieke partij (zie de PGN-viewer). Vanaf zet 10 (…b6?) gaat het eigenlijk al mis. Het boek bevat een aantal van dit soort aanvalspartijen waarbij zwart lang niet altijd vrijuit gaat, maar zo is het boek ook niet bedoeld: niet de beste verdediging uitgerekend door het apparaat en hoe gaan we dit dan weer met wit proberen te ontkrachten, maar door middel van klassiekers en voorbeeldpartijen tonen hoe die koningsaanval van de grond komt.

Dan de opzet met b3. In het boek van Lakdwala komen we deze opzet veelal tegen tegen de triangel (driehoekspionformatie) c6-d5-e6 ‘KIA vs Reversed London System’. Carlsen laat zien dat het ook anders kan in een Reversed Reversed King’s Indian: https://www.youtube.com/watch?v=eqtFFTvJ1PY

Een laatst frappant voorbeeld. Gelfand benoemt in zijn Positional Decision Making in Chess drie historische voorbeelden van ingemetselde lopers en je proeft direct dat hij wat genoegdoening zoekt voor zijn verloren WK-match.

Het archetype Winter-Capablanca, Hastings 1919:

Het vierpaardenspel dat uitmondt in een vierloperspel Short-Kramnik, Londen 2011:

Sasikiran-Anand, Hyderabad 2002:

De eerste twee zijn natuurlijk spiegels van elkaar en hebben de logica in zich: zwart stuurt aan op een dubbelpion op f/c3 en barricadeert het opspelen van die pion. De pion erachter sluit de kooi en doet de loper de das om. Maar vooral die laatste vond ik indrukwekkend, omdat die er toch heel erg ‘self-inflicted’ uitziet: Anand die vrijwillig g7-g6 gespeeld heeft (op zet 40, voer voor amateurpsychologen). Hoe is dat nu toch mogelijk? Het blijkt partij 28 in Lakdwala’s boek, zie wederom de viewer.

Kortom

Eén van de eerste schaakboeken die ik kocht, was Joe Gallagher’s Play the King’s Indian (2004), een plezierig boek met mooie roze kaft waarin steevast de koning mat werd gezet na een vrolijk loperoffer op h3 (ik kan me niet herinneren dat Gelfand-Kantsler, Israel 2001 er in voorkwam, waarin Kantsler zeer inventief dit stereotype offer uitvoert op een leeg veld!). Ik heb het helaas niet meer, maar met partijen als Piket-Kasparov, Tilburg 1989 (eindzet Ph1!) was het vooral een joviaal boek, bedoeld om zin te krijgen iedere partij een KI op het bord te kwakken. Op dezelfde leest is dit boek geschoeid en de gelijkenis vind ik dan ook treffend.

Wat Lakdwala ook hier weer doet (net als in zijn drieluik dat ik de vorige keer reviewde) is partijen van hele groten (vol trots vertelt hij hoeveel partijen van Fischer hij heeft opgenomen) afwisselt met zijn eigen trainingspartijtjes met studenten. Ik vond ze in dit boek iets minder toevoegen omdat ze her en der wel wat diepgang misten en het boek als geheel daardoor ook niet zoveel klassiekers bevat als Lakdwala’s meesterwerk Chess for Hawks. Maar voor de clubschaker die denkt ‘bekijk het maar!’ en vrolijk tekeer wil gaan, kan ik dit boek zeker aanraden.

Play the King’s Indian Attack!
Auteur: Cyrus Lakdwala
Uitgever: ELK and RUBY
Publicatiedatum: 3 maart 2026
Bestellen: https://www.newinchess.com/play-the-king-s-indian-attack (via de site van NewInChess kun je ook sample pages inzien)

Alleen geregistreerde gebruikers kunnen een reactie achterlaten.