Frits Roessel

Vier keer heeft hij meegedaan aan het jeugdkampioenschap van Nederland. Drie maal was hij jeugdkampioen en één keer werd hij tweede achter Joop van Oosterom, de latere mecenas van de schaakwereld.

De eerste Open Kampioen van Nederland ook, en van de drie keer dat hij meedeed aan het kampioenschap van Nederland (1957, 1958 en 1961) werd hij tweemaal (gedeeld) tweede.

Als je Chessbase raadpleegt,

Lees meer >

Schakers en de Europese verkiezingen

Schakers weten dat een zet die een verandering van de dynamiek op het schaakbord brengt niet per se een verbetering oplevert en meer dan eens het tegendeel bewerkstelligt. De voorspelde ruk naar rechts bij de Europese verkiezingen geeft aan dat er nog altijd te weinig mensen schaken.

Huizinga en de spelende mens

Homo ludens, de spelende mens. Het is de titel van het baanbrekende boek van Johan Huizinga (1872-1945), historicus, cultuurfilosoof en antropoloog.

Huizinga werd vooral bekend door zijn eerste boek, ‘Herfsttij der Middeleeuwen’, dat in 1919 verscheen. Op tot dan toe geheel nieuwe wijze benaderde hij geschiedenis, in dit geval de Middeleeuwen. Niet alleen met feiten maar vooral in een zorgvuldige reconstructie van sfeer, levensgevoel, religieuze ervaring en houding tegenover de dood. Het boek werd wereldberoemd.

Beroemd werd ook het boek dat bijna twintig jaar later gepubliceerd werd, ‘Homo Ludens’. Lang geleden las ik dat boek. Of liever gezegd, ik probeerde het te lezen. Nu zou ik het beter begrijpen na bijna een leven lang aan de zijde van een spelende mens, beeldend kunstenaar Maartje van Lieshout.

Het hiernavolgende artikel van Foppe Jan Montsma gaat over de meetlat die Huizinga langs schaken legde. Is schaken van culturele waarde of is het niet meer dan een tijdverdrijf, te vergelijken met dobbelen?

Om te begrijpen met welk perspectief Huizinga naar spel keek, een citaat uit het boek dat de kern van de zaak weergeeft. Drink het even in want de beeldende taal is niet de karige en efficiënte taal die we gewend zijn.

‘Men kan bijna al het abstracte loochenen: recht, schoonheid, waarheid, goedheid, geest, God. Men kan den ernst loochenen. Het spel niet. Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het fysisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woord een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instromen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar, begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.’

Vrij vertaald: spelen en het bewustzijn daarvan is de kern van het menszijn. En, zo voegt hij daar met zoveel woorden in het boek aan toe, alles van culturele waarde komt daar uit voort.

Homo ludens

door Foppe Jan Montsma

Ludiek noemde ik het Dodo-Indisch in mijn stuk daarover. Toen ik dat woord gebruikte dacht ik: laat ik toch eens kijken wat onze meest beroemde cultuurhistoricus, Johan Huizinga, in zijn boek ‘Homo Ludens’ over het schaakspel te melden heeft. Zou hij wellicht ook ons spelletje onder dat aspect hebben beschouwd?

Welnu, wat hij in dit opzicht te melden heeft, is door zijn geborneerdheid voor mij een beetje onthutsend. In dat beroemde boek schat hij het schaken weliswaar hoger in dan de dobbelspelen, die hij voor de cultuur steriel noemt, maar het schaken acht hij een bezigheid die eveneens “onvruchtbaar blijft voor de cultuur”, dus even steriel als het dobbelen en, let op, “ook geen zichtbare schoonheid inhoudt.”

Lees meer >

Het Dodo-Indisch (2)

Het dierenrijk telt vreemde vogels. De dodo was daar een van. Wel vleugels, maar niet kunnen vliegen. Soms leidt zoiets tot nieuwe wegen in de gang van de evolutie, vaker nog is het een doodlopende weg.

De dodo heeft het niet gered toen vliegen zijn enige uitweg was bij een dreiging van buiten, nietsontziende Nederlandse kolonisten. De gedegenereerde vleugels konden de zware vogel niet dragen toen het erom ging.

In de schaakwereld wemelt het van de vreemde vogels. Het lijkt de bevestiging te zijn van de uitspraak van Lodewijk Prins dat schakers niets met elkaar gemeen hebben, behalve de liefde voor het schaakspel. Maar het is juist de weerlegging daarvan. Want het vreemde, het afwijkende ten opzichte van de goegemeente, het individualisme dus, is die andere overeenkomst. En niet de minste der overeenkomsten, een karakterologische namelijk: eigenzinnigheid die soms tot iets moois leidt, maar vaker ook niet.

Bij de een valt die eigenzinnigheid wat meer op dan bij de ander. We zijn blij vernomen te hebben dat een zo’n opvallende vogel, Raymond Liem, alive and kicking is.

Raymond en zijn vinding, het Dodo-Indisch, kwamen in de vorige aflevering aan bod en nu gaan we zien hoe Foppe Jan Montsma het ervan afbracht toen hij probeerde te vliegen met de Liem-vleugels.

Dodo-Indisch in Zuid-Frankrijk

door Foppe Jan Montsma

Vooraf dit: met het Dodo-Indisch heb ik enkele serieuze partijen gespeeld. Omdat ik een slordige archivaris ben van mijn eigen bestaan kan ik die niet meer terugvinden. Clubbladen van het Schaak Genootschap Rijswijk (SGR) van dik veertig jaar geleden, waarin Liem zijn geheimen aan ons prijs gaf, zijn evenmin nog te raadplegen.

Daarom doe ik het met een partij die een beetje in de buurt komt van Dodo, tenminste daardoor is geïnspireerd, maar het niet echt is. Semi-Dodo dus.

Wit: Foppe Jan Montsma Zwart: Lex Jongsma

Mollans-sur-Ouvèze, 24 mei 2011. Half Dodo.

 

 

 

Lees meer >

Het Dodo-Indisch

De dodo is een uitgestorven vogel. Een vogel met kleine vleugels die niet geschikt waren om mee te vliegen. Het beest leefde in de bossen van het eiland Mauritius.

De komst van Nederlandse kolonisten en de dieren die ze meenamen, ratten en varkens, werd de dodo fataal. Het beest is waarschijnlijk tussen 1680 en 1690 uitgestorven en staat symbool voor de aantasting van de natuur door menselijk handelen.

Lees meer >

Komt dat schot…!

Het zonnetje schijnt, het voetbalveld ligt erbij als het spreekwoordelijke biljartlaken. De aanvoerder van het thuisspelende team zet aan voor een dribbel. Dwars door het midden slingert hij zich als een balletdanser langs uitgestoken benen en wanhopig graaiende armen en bereikt de rand van het stafschopgebied. Hij houdt even in en maakt zich klaar om uit te halen.

Dan schalt de stem van Hugo Walker* door het stadion. Komt dat schot …… GOAL!!! Het stadion stampt, het stadion zweet, de supporters raken in een extatische roes. Een droom.

Zo kan het gaan, maar even zo vaak eindigt zo’n beloftevolle aanzet op de paal, naast de goal, hoog over de lat of nog erger, in een regelrechte blooper: een struikelpartij en een lullig rollertje. Zonder doeltreffende afronding leidt al het moois dat eraan voorafging tot frustratie en wordt vergeten.

Lees meer >

Panta rhei

Een tienjarig Argentijns jochie, met de veel betekenende naam Faustino Oro (Goud),  wint van Magnus Carlsen. Het is al bijna geen nieuws meer. Ditmaal was het bullet en online. Maar je moet verdomd goed kunnen schaken wil je van Carlsen winnen. Hoe dan ook.
Overal staan ze ineens op, de wonderkinderen. Ik ben geneigd de ontwikkelingen in de schaakwereld te zien als een spiegel van de gewone wereld.
Lees meer >

Kauwgum is nog geen ulevel

‘Maar wat Antonio hier tot stand bracht had ik nog niet eerder meegemaakt.

De vondst was af te zien van het natuurlijk, sabbelend geluid van de ulevel en het te vervangen door een volstrekt tegennatuurlijk knagen. Ook in het natuurlijk gebruik wordt de ulevel ten slotte, wanneer hij tot verdwijnend kleine proporties is teruggebracht vaak met een enkele beet definitief soldaat gemaakt, maar het oorspronkelijke van Antonio’s aanpak was nu juist dat hij de grote brokken direct vanaf het begin met de mondelinge destructie-apparatuur te lijf ging.

Lees meer >

Rating-fetisjisme

“Mijn schaamtegrens ligt bij 2200”, zei Rob Witt toen hij aan het eind van zijn leven daaronder dreigde te zakken. Hij was toen al ernstig ziek. In al zijn ironie maakt die uitspraak duidelijk hoe identiteit (wie ben ik, wat kan ik) voor veel schakers bijna griezelig verbonden is met Elo-rating.

Ik had zoiets al eerder meegemaakt bij Henk de Kleijnen die zich, ziek als hij was, zorgen maakte over zijn rating die ergens rond de 1800 schommelde. Beiden leken bij leven en welzijn niet erg ambitieus te zijn als het om hun rating ging, zeker Rob niet, maar aan het eind van hun leven was het kennelijk een graadmeter geworden om na te gaan hoe het er voorstond met hun afnemende vermogens.

Lees meer >

Visie en de spes patriae

In mijn jonge jaren las ik ‘Das Kapital’ van Karl Marx. Zijn stelling dat alleen door technologische ontwikkelingen machtsverhoudingen veranderen, is me altijd bij gebleven en het werd het prisma waardoor ik sindsdien naar de veranderende wereld kijk.

In die wereld werd spierkracht steeds minder nuttig. De verhouding tussen man en vrouw veranderde daardoor drastisch. Internet maakte een eind aan kennismonopolies en doet de machtsverhoudingen tussen mensen en landen verschuiven naar nieuwe evenwichten. Zonder strijd gaat dat echter niet. De oude machtsbolwerken, mannen in het algemeen en het Westen in het bijzonder, verzetten zich met hand en tand en in die overgang zitten we nu. Met alle conflicten van dien.

Ik ben nu bijna net zo oud als mijn vader toen hij zei: “Ik wil niet dood, want ik ben zo benieuwd hoe het verder gaat.” En net als mijn vader ga ik het niet meer allemaal meemaken, maar ik heb wel het gevoel dat ik iets zie dat zijn schaduwen vooruitwerpt.

De ontwikkeling van de schaakwereld is de kanarie in de mijn. Grote veranderingen die aangeven waar het naartoe gaat met de wereld. Vrouwen en mannen uit afgelegen gebieden, niet serieus te nemen tot voor kort, die ineens tot op het hoogste niveau kunnen meekomen op basis van puur talent, niet langer verstoken van leraren en kennisbronnen, maar in het bezit van een sleutel, het internet, die toegang verschaft tot alles wat nodig is om talent te voeden.

Onlangs las ik ‘Move first, think later’ door Willy Hendriks. Het boek is inmiddels ruim tien jaar oud en veroorzaakte destijds de nodige ophef. De heilige huisjes van de schaaktraining werden niet ontzien. Het idee dat je eerst een (abstract) begrip van de stelling en een (gefaseerd) plan moet hebben om tot goede zetten te komen, zette hij op de helling. Tegelijkertijd las ik een recent interview met Simen Agdestein, de eerste coach van Magnus Carlsen.

Hij had een leerling die een sterke grootmeester geworden is en deel uitmaakte van het Noorse team dat recent aan het Europees kampioenschap deelnam. Agdestein vertelde dat zijn pupil waarschijnlijk nooit een schaakboek heeft ingezien en domweg door veel te spelen op internet zo sterk geworden was. Wellicht moeten we de schaaktraining op een geheel andere leest schoeien, suggereerde hij nog. Ik las daarin het gelijk van Willy Hendriks.

Lees meer >