Recensie: Under the Surface – 2nd Edition

Hoe kan het toch dat een grootmeester zoveel sterker is dan een gewone clubspeler? Ziet een grootmeester meer mogelijkheden? Kan een grootmeester accurater of sneller rekenen? Kent een grootmeester meer openingen? Tot op zekere hoogte is het allemaal waar. Op elk vlak schiet een clubspeler tekort tegen een grootmeester. Het grootste verschil wordt volgens auteur Jan Markos gemaakt doordat een grootmeester dieper kijkt dan een clubspeler. Een clubspeler kijkt veel te oppervlakkig naar een stelling.
Een enigszins ontnuchterende constatering, maar het is wel de ongemakkelijke waarheid. Betekent dit dat het gat tussen schaken op grootmeesterniveau en clubniveau niet te overbruggen valt? Wellicht is er toch meer mogelijk. Met de nodige begeleiding kan een clubspeler de denkpatronen van een grootmeester volgen. Het boek Under the Surface – 2nd Edition van grootmeester Jan Markos biedt een uitnodiging om deze denkpatronen te verkennen.

De oplettende lezer is wellicht al opgevallen dat dit de tweede editie van het boek Under the Surface betreft. Het oorspronkelijke boek is in 2018 uitgebracht en heeft veel lof ontvangen. Onder andere de huidige wereldkampioen Dommaraju Gukesh noemt het een van zijn favoriete boeken. De Engelse schaakfederatie ECF bekroonde het boek zelfs met de prestigieuze Boek van het Jaar award. Andrew Greet van Quality Chess, de uitgever van het boek, noemt het een van de beste boeken die ze ooit hebben uitgebracht. De verwachtingen voor deze tweede editie zijn dus hooggespannen.
Voordat we ingaan op de inhoud, eerst een paar woorden over de auteur. Jan Markos is een Slowaakse grootmeester die tegenwoordig als speler niet meer actief is, maar als journalist des te meer. Samen met David Navara heeft hij in 2021 het boek The Secret Ingredient geschreven, wat eveneens veel positieve reviews heeft gekregen. Hoewel Under the Surface door Markos alleen is geschreven, heeft Navara ook zijn licht op de inhoud laten schijnen.
Under the Surface bestaat uit zeven delen, onderverdeeld in 37 hoofdstukken van bescheiden omvang. Ieder deel behandelt een thema, waaronder de rol die de verschillende stukken spelen op het bord, de rol van tijd, keuzes maken en over schoonheid in het schaken. Een breed palet aan onderwerpen komt voorbij, waarbij Markos regelmatig gebruik maakt van treffende analogieën en anekdotes die niet direct schaakgerelateerd zijn. In The Avocado Debacle, waarin Markos zijn eerste kennismaking met avocado’s beschrijft en wat eindigt in voer voor cavia’s, weet hij op geestige wijze de rol van het loperpaar te verduidelijken. Zijn journalistieke achtergrond en goed gevoel voor humor maakt dat ondanks de grote diversiteit aan onderwerpen het boek toch als een geheel leest, wat een bijzonder knappe prestatie is.
Ten opzichte van de eerste uitgave van het boek heeft Markos vier hoofdstukken toegevoegd, allemaal gericht op strategie in het middenspel. Daarnaast zijn, met dank aan Stockfish, de nodige verbeteringen aangebracht in de analyses, waarbij eerdere oordelen in een aantal gevallen zijn herzien. De verbeterde layout en additionele hoofdstukken hebben ervoor gezorgd dat het boek in omvang is toegenomen van 288 naar 352 pagina’s. Uit de nieuw toegevoegde hoofdstukken zijn hieronder een aantal fragmenten opgenomen, maar we beginnen bij hoofdstuk 1 over de drie perspectieven waar vanuit een stuk op het bord beschouwd kan worden. Markos geeft namelijk aan dat dit het belangrijkste hoofdstuk van het gehele boek is en dat een juist begrip van de inhoud ervan een directe weerspiegeling is van de sterkte van een speler.
Het eerste perspectief over de rol van een stuk is dat het gebruikt kan worden als een actief stuk gereedschap om een zeker doel te bereiken. In het eerste voorbeeld toont Judit Polgar dit op levendige wijze aan.
Pantsulaia, Levan – Polgar, Judit
Polgar heeft een kwaliteit geofferd en het is onduidelijk of ze genoeg compensatie heeft. Wit staat op het punt zijn koning in veiligheid te brengen, waarna zwart het loperpaar en een pion heeft voor haar materiële achterstand. Zou dit voldoende zijn? Polgar besluit het antwoord op deze vraag niet af te wachten en speelt
13… Pd3+! 14. exd3 Lxd3
Door het paard te offeren, krijgt zwart een monsterlijk sterke loper op d3, waarmee de witte koning gedwongen wordt in het centrum te blijven en de witte stelling in tweeën wordt gesplitst. De witte stelling is al op een kritiek punt beland en Polgar geeft haar tegenstander in het vervolg geen kans meer.
De kwetsbaarheid van een stuk vormt het tweede perspectief. Stukken kunnen kwetsbaar zijn en elk stuk heeft adequate bescherming nodig. In het bijzonder geldt dit uiteraard voor de koning. Met het volgende voorbeeld toont Markos aan dat de kwetsbaarheid van stukken de uitkomst van een partij kan bepalen.
Karpov, Anatoly – Portisch, Lajos
De zwarte stukken staan minstens zo actief opgesteld als die van wit. De dame op d5 beheerst flink wat velden, het paard staat op het centrum gericht en de lopers hebben ruimte. Toch staat wit op het punt in het voordeel te komen. Het probleem is dat de zwarte stukken eenvoudig aangevallen kunnen worden. Karpov maakt hier na de volgende zet van zwart handig gebruik van.
14… Lg6
Tegenwoordig is 14…Tfe8 de meest gebruikelijke zet voor zwart.
15. c4
Met tempo.
15… Dd7 16. d5
Opnieuw met tempo.
16… Lf6 17. Ta2 Pa5
Dit is waarschijnlijk zwarts beste poging, hoewel het paard hier niet stabiel lijkt te staan.
18. Lf4 Tfe8 19. Tae2
19… Tec8?
Deze onnatuurlijke zet, die spoedig zal leiden tot verlies, is zonder meer een teken dat Portisch niet tevreden was met zijn stelling. 19… Txe2 20. Dxe2 c5 is erg oncomfortabel voor zwart, maar mogelijk speelbaar.
20. Pe5 Df5
Opnieuw begeeft zich een zwart stuk op kwetsbaar terrein.
21. Ld2!
Een dubbele aanval, waarmee wit de dame dreigt in te sluiten.
21… Pxc4 22. g4 Pxe5 23. gxf5 Pf3+ 24. Kg2 Lh5 25. Da4 Ph4+ 26. Kh3 Lxe2 27. Lxe2 1-0
Na zijn fout op de 19e zet is Portisch er niet meer aan te pas gekomen.
Het derde perspectief betreft de mogelijkheid van een stuk om andere stukken in de weg te staan. Markos noemt dit enigszins droog ‘een stuk hout’ en merkt op dat veel spelers moeite hebben met dit derde perspectief. De reden hiervoor is dat voor het beoordelen van een stelling het noodzakelijk is om deze als een geheel te bekijken. Het beoordelen van de positie van een stuk op zichzelf is niet voldoende. Het volgende voorbeeld is erg inzichtelijk.
Ganguly, Surya – Cifuentes, Roberto
Op het bord staat een bekende stelling uit de Philidorverdediging. Wit speelt een zet die op het eerste gezicht mysterieus lijkt.
10. Ld3
Een speler die de drie perspectieven van een stuk niet apprecieert, zal niet snel bedenken waarom wit deze zet speelt. De loper staat tenslotte toch actiever op c4 dan op d3? Is het plan voor wit niet Lb2, Dd2 en Tad1? Hoewel zijn stukken ‘perfect’ staan opgesteld, komt wit in dit geval niet verder.
Het idee achter de loperzet is dat de loper kwetsbaar is op c4 voor aanvallen met …b5 en …d5. Daarnaast zou ook het paard hinder kunnen ondervinden van de b-pion. Beide stukken hinderen tevens de witte c-pion. Met het paard op c3 kijkt de loper op b2 tegen het paard aan. Wit speelt daarom het paard via e2 om naar g3. Om dit mogelijk te maken, moet de pion op e4 worden gedekt. Zo komt wit tot 10. Ld3.
10… Te8 11. Lb2 a6 12. Pe2 Lf8 13. Pg3 Dc7 14. c4
Wit heeft zijn stukken harmonieus opgesteld en dreigt in het vervolg ruimte te winnen en de invloed van de loper op b7 in te perken met d4-d5.
Zeker op clubniveau is de terugtrekkende beweging van de loper geen vanzelfsprekende keuze. Hoe stukken elkaar in de weg kunnen staan en de rol van zwaktes op het bord komt in het hoofdstuk Infection aan de orde. Hierin richt Markos zich op de potentieel desastreuze gevolgen van een zwakte. Middels een analogie met de Middeleeuwse plaag (opnieuw een opmerkelijke vondst) noemt hij dit een infectiebron. Wat hij daarmee bedoelt? Dat toont hij aan met de onderstaande beide voorbeelden.
Markos, Jan – De la Cruz, Alfredo
De ‘infectiebron’ van de zwarte stelling is de zwakke pion op c6. Deze pion is lastig verdedigbaar en zwarts stukken lijden onder een gebrek aan ruimte. Het gevolg hiervan is dat zwart een beperkt aantal velden heeft om de boel bij elkaar te houden. Deze velden zijn op hun beurt eveneens zwak, met als gevolg dat zwart te maken krijgt met zwakke stukken. Merk in het volgende zettenverloop op hoe de problemen voor zwart met elke zet lijken toe te nemen, tot stukverlies onvermijdelijk is.
16. Ke2 Lc7 17. Pa2 Lb8 18. Ta6 Pg8 19. Pb4 Pe7 20. f4 f5 21. f3 Pf6 22. Tg1 g6 23. Le1 Kd7 24. Lh4 Thf8 25. Tga1 Tf7 26. Tb6 Pfg8 27. Tb7+ Ke8 28. Pa6 1-0
De ‘infectiebron’ hoeft niet altijd een zwakke pion of een zwak stuk te zijn. Soms ontstaan zwaktes in de stelling door een zwak veld of een zwakke lijn. Markos geeft opnieuw een voorbeeld uit zijn eigen ervaring.
Kogan, Arthur – Markos, Jan
Het witte kamp telt meerdere infectiebronnen, waarvan de meest prominente de zwakke pion op a2 is. In feite is de gehele a-lijn zwak. Vanwege deze zwakte is wit gedwongen de toren op de a-lijn te bewaren. In het vervolg richt zwart zich op deze toren.
31… Dc7 32. Ta4
De toren staat hier volledig buitenspel, maar beschermt de a-lijn nog wel. Daarom besluit Markos torenruil af te dwingen.
32… Le8
32… c4! is veel directer, maar Markos geeft aan de stelling na 33. Lxc4 Lxc4 34. bxc4 Pxc4 35. Txb4 niet goed te hebben kunnen evalueren achter het bord. In feite staat zwart compleet gewonnen na 35… Td6!
33. Ta6 Txa6 34. Lxa6 Ta8 35. De2
In de woorden van Markos: de witte dame is als een moeder die de handen van twee opstandige kinderen moet vast zien te houden: de loper op a6 en de pion op f3.
35… Lf7 36. Lb5 Da7
Van deze zet geeft Markos aan dat dit een suggestie is van de engine. In de partij ging hij verder met het zwakkere 36… Td8? 37. Tc1 Dd6? [37… c4!] 38. Pe1 Db6 39. Ld3 Da5 40. Dc2 Td4 41. Td1 Dd8 42. Le2 Txd1+ 43. Dxd1 Dxd1+ 44. Lxd1 h5 Ook hier staat zwart nog steeds gewonnen, maar het daadwerkelijk omzetten van de partij in winst is een stuk ingewikkelder geworden. In het vervolg laat Markos zijn tegenstander ontsnappen.
37. La4
De zwakke a-lijn dwingt wit opnieuw een stuk naar a4 te spelen, in dit geval de loper. Deze zwakte zorgt ervoor dat zwart nog meer terrein van wit kan veroveren.
37… Lc4 38. Dg2 Ld3 -+
Wit is volledig klemgezet. De dame moet nog altijd de pion op f3 verdedigen, de loper op a4 staat buitenspel en het gepende paard kan geen kant op. Dankzij de onfortuinlijke positie van het paard op c2 ontbeert wit de mogelijkheid om op een natuurlijke wijze met de dame de pion op a2 te dekken.
Een van de nieuw toegevoegde hoofdstukken richt zich op het ruilen van stukken. Markos beschrijft dat bij de vraag wel of niet te ruilen, het nuttig is om niet alleen de huidige activiteit van de stukken in kwestie te beoordelen, maar ook hun potentiële activiteit. In het volgende voorbeeld slaagt zwart hier niet in.
Ionov, Sergey – Mikhalevski, Victor
Dit eindspel is ontstaan uit een Benkogambiet. Zwart mist nog altijd de pion die hij in de opening heeft geofferd, maar het actieve tegenspel compenseert hiervoor. De vraag is, moet hij nu zijn loper ruilen voor het paard of niet?
Mikhalevski heeft vermoedelijk de indruk dat de loper sterker is dan het paard. De loper staat centraal geplaatst en is actief, terwijl het paard ogenschijnlijk niet veel doet. Zwarts loper heeft echter zijn maximale potentieel bereikt in deze stelling. Als het paard daarentegen veld c4 weet te bereiken, ontstaat er opeens vervelende druk op de pion op d6.
Zwart moet hier zonder meer het paard uitschakelen. Na 38… Lxc3! 39. Txc3 geven zwarts actieve torens hem gelijkspel. De dreiging …Tb4-d4xd5 is lastig voor wit.
38… Kf8? 39. Pe4!
Zwart krijgt niet nogmaals de mogelijkheid om op c3 te ruilen.
39… Tb6 40. Tcc2 Tba6
Vanwege de zwakke a-pion kan wit het paard niet via d2 naar c4 spelen. De zwarte torens staan echter vast op de damevleugel, daarom opent wit een tweede front op de koningsvleugel.
41. Pg5 Lf6 42. Pe4 Ld4 43. f3 Kg7 44. g4 hxg4 45. fxg4
45… Kh6?
Zwart mist zijn laatste kans op complicaties. Na 45… c4! 46. bxc4 Le5! staat zwart weliswaar twee pionnen achter, maar wit kan geen vooruitgang boeken zonder tegenspel toe te staan.
46. g5+ Kg7 47. Kf3 La1 48. Kg4 Ld4 49. h5 gxh5+ 50. Kxh5 La1 51. Pg3 Le5 52. Pf5+ Kh7 53. Pe3 Ta7 54. Pc4+-
Het witte paard heeft het gedroomde veld c4 bereikt en wit behaalde het volle punt op zet 76.
Van ieder hoofdstuk geeft Markos een praktische samenvatting. Zo eindigt dit hoofdstuk met een handvol vragen waarmee een speler zichzelf kan afvragen of het wel of niet een goed idee is om stukken te ruilen. Het nieuw toegevoegde hoofdstuk The Hannibal Manoeuvre biedt een interessante oplossing voor de vraag hoe een pionnenstorm te overleven valt. Het opzetten van een barricade is een mogelijkheid die niet altijd succesvol is, zoals Magnus Carlsen in het onderstaande fragment aantoont.
Carlsen, Magnus – Jakovenko, Dmitrij
Op het bord staat een ogenschijnlijk tamelijk saaie stelling. Een lang positioneel gevecht lijkt in het vooruitzicht te liggen. Carlsen komt echter gelijk met een breekzet, gebaseerd op de kleine achterstand in ontwikkeling van zwart.
13. e4! O-O
Na 13… dxe4? 14. Pxe4 Dd5 [of 14… Dg6] heeft wit de fraaie zet 15. Da3! waarmee de zwarte koning vast blijft zitten in het centrum. Zwart kan het paard op e4 niet nemen, vanwege de problemen die dan ontstaan via de e-lijn.
14. e5 De6 15. Tae1
Met de pion op e5 is het plan van wit helder: smijt de pionnen op de koningsvleugel naar voren.
15… Tfe8?
Een vreemde zet. Het gevecht gaat plaatsvinden op de koningsvleugel. Daarom is het noodzakelijk zo snel mogelijk wits pionnenketen aan te vallen met 15… f6! Na 16. exf6 Dxf6 17. Te2 staat wit een fractie beter dankzij de controle van de e-lijn. Zwart staat echter solide.
16. Ph4! Pg6 17. Pxg6 Dxg6 18. Dd2!
Een sterke zet van Carlsen. Met een pionnenstorm op komst moet wit de dames op het bord houden.
18… Pf8 19. f4
19… Df5?
Opnieuw een vreemde zet. De dame kan gemakkelijk van haar plek worden verjaagd. Met 19… f5! had zwart het offensief kunnen tegenhouden, waarna het gevecht zich verplaatst naar de c-lijn. Wit blijft echter beter staan dankzij de sterke pion op e5.
20. Pd1! f6 21. Pe3 Dd7 22. Dd3 fxe5
23. dxe5!
Na 23. fxe5? staat wit nog altijd beter, doordat hij de mogelijkheid behoudt het paard naar d6 te brengen. Daarentegen zou zwart onnodige tegenkansen kunnen krijgen. Het partijvervolg toont aan dat het offensief op de koningsvleugel niet meer te stoppen is.
23… Pe6 24. f5 Pc5 25. Dd4 Pe4
Een wanhoopspoging. Wit wint nu een pion.
26. Pxd5 Dxd5 27. Dxe4
Het pionnenduo is intact gebleven en de rest van de partij is relatief eenvoudig.
27… Tad8 28. e6 Dxe4 29. Txe4 Td6 30. g4 Kf8 31. g5 Ke7 32. Kg2 Td5 33. Kg3 Kd6 34. h4 c5 35. f6 gxf6 36. gxf6 Td3+ 37. Kh2 Td2+ 38. Kh1 1-0
Had Jakovenko Carlsen kunnen tegenhouden met de Hannibal manoeuvre? Het antwoord hierop is terug te vinden in Under the Surface. Zo behandelt Markos een groot aantal diverse onderwerpen, waarbij hij aangeeft dat bepaalde thema’s in de schaakliteratuur momenteel nog onderbelicht zijn. Hiermee worden niet alleen spelers, maar ook trainers aan het werk gezet!
Conclusie
Een herziene versie van een prijswinnend boek uitbrengen is geen sinecure. Auteur Jan Markos weet de hoge verwachtingen echter volledig waar te maken. Exceptioneel goed geschreven, voorzien van treffende analogieën en passende anekdotes, wat zich vertaalt in een uitermate interessant en boeiend werk. Het is zelden dat een boek dat zoveel verschillende thema’s behandelt, alsnog als een sterk samenhangend geheel weet over te komen. Om inzicht te krijgen in hoe een grootmeester naar een stelling kijkt, is dit boek voor velen onmisbaar.
Under the Surface – 2nd Edition
- Auteur: Jan Markos
- Publicatiedatum: 5 november 2025
- Aantal pagina’s: 352
- Uitgever: Quality Chess
- ISBN: 9781784832643
- Sample pages
- Paperback: € 29,99
- Hardcover: € 34,99
- eBook: € 20,57
- Bestellen


In 1946 schreef hoogleraar Adriaan de Groot een proefschrift met als titel: Het denken van de schaker. Daarin kwam hij tot de volgende resultaten en conclusie:
Hij onderzocht het geheugen van de schaakgrootmeesters en gemiddelde clubschakers, slechts gebruikmakend van een schaakbord en schaakklok. In een experiment zette hij een gangbare schaakstelling op het bord, en liet deze vijf seconden bekijken door beide spelers, waarna beiden de stelling moesten reconstrueren. Hetzelfde deed hij met een stelling waar de stukken willekeurig op het bord geplaatst waren. De grootmeesters reconstrueerde de schaakstelling veel beter, maar de randomstelling met eenzelfde foutenmarge als de clubschakers. Uit gelijksoortige experimenten concludeerde De Groot dat de cognitieve vaardigheden van de grootmeesters er vooral uit bestond, dat zij schaakstellingen beter konden bevatten als georganiseerd geheel, dan als een verzameling van losse schaakstukken.
Een heel klein kleinigheidje (ik kan het nou eenmaal niet laten): ’the plague’ is niet ‘de plaag’ maar ‘de pest’.