Recensie: Winning Chess Strategies – Exploiting (3x) – Cyrus Lakdawala
Een paar jaar geleden speelde ik in de meesterklasse een potje tegen Merijn van Delft en belandde na een exf6 Caro-Kann in een moeizaam
middenspel. Merijn had met wit de mooiere structuur en het loperpaar, ik zat met zwaktes, een dubbelpion op de f-lijn (tja, dat krijg je ervan) en P+L. Merijn had zijn dag niet en wist het voordeel niet te verzilveren. In de analyse achteraf bleek pas hoe groot zijn voordeel wel niet was, en met name, hoe opening van de stelling zelfs met behulp van een pionoffer zijn loperpaardominantie had bekrachtigd. Als verwoede materialist liet ik mijn onbegrip stralen, mijn hemel zeg: een pionoffer? “When the bishop pair is combined with a space advantage, the power of both tends to multiply, with devastating effect for the opponent’s opposition” schrijft Lakdwala. Onze GM-teamgenoten Hugo en Max waren het roerend eens over dit oordeel, de witte superioriteit en de vanzelfsprekendheid waarmee dit verzilverd kon worden, en keken mij wat meewarig aan, zoals je kijkt naar een licht demente oude man die twijfelt welke kant van de roltrap hij zal nemen. Ach gut, hij weet het niet.
Dat maakte indruk en woest ging ik aan de slag met de opgave: wat moet je nou met een loperpaar? Van Markos en Tiviakov leerde ik dat je geduldig moet zijn en gestaag je (damevleugel)pionnen moet laten opstomen ondersteund door het loperpaar, of geduldig wachten tot de stelling opener en opener wordt. Van Timman (ja, wie anders) leerde ik het essentiële verschil tussen een krachtig paard en een machtig loperpaar: die bijvoeglijk naamwoorden weten heel goed te vangen waar het om draait. Van Dorfman leerde ik dat P+L een overwicht op een kleurencomplex heeft en daar dus confrontatie moet creëren, laten we even zeggen: de reden dat zwart in een Hübner-Nimzo op f5 zal willen aansturen. En vice versa, dat het loperpaar dus juist de ‘unopposed’ loper aan het werk wil zetten (veelal door pionnen op de andere kleur te zetten – hier komt Capablanca’s vuistregel om de hoek kijken). Kramnik-Tiviakov, Wijk aan Zee 2001: 15.c4! gevolgd door 16.d5. Wat kan de driedelige serie van Lakdwala mij dan nog leren? Waarom mijn interesse hiervoor?
Een klein decennium geleden deden mijn teamgenoten mij het boek Chess for Hawks cadeau en dat vond ik een verademing binnen de schaakliteratuur (in mijn boekenkast). Hier was een auteur die zijn best deed je wat te leren aan de hand van klassiekers en gedestilleerde ‘Principles’, terwijl zijn commentaar doorspekt is van lichtvoetige grapjes en neem-jezelf-toch-niet-zo-serieus. In dit boek, dat natuurlijk eigenlijk Chess for Doves had moeten heten, of: Chess against Hawks, zien we ook partijen van de auteur zelf die een bange schijterd blijkt, ieder materiaaloffer schuwt en het liefst kleine positionele plusjes behaalt dan Talmatig de tegenstander van het bord veegt. Och, de herkenning van de doodsangst om (on?)verantwoord materiaal te offeren! Wat ik heel mooi aan zijn boeken vind, is dus dat ze ‘de klassiekers’ bevatten, maar ook eigen ‘how not to’-partijen.
In deze serie bijvoorbeeld veel Kasparov-materiaal dat ik nog niet kende en dat voor zich spreekt. “They make it look easy”, zoals alleen de allergrootsten dat kunnen. Boeken die alleen partijen van dat niveau bevatten, zijn natuurlijk leerzaam maar voor mij ook altijd onbereikbaar. Alsof iemand zegt: kijk nou even, die Messi, die doet gewoon tik-tak-tik-tik-schijnbeweging-tik-sprintje-schijnbeweging-tik-tak-schijnbeweging-sprintje-schijnbeweging-boem! dat moet jij ook gewoon doen, dan scoor je punten. Voor mij is bijvoorbeeld één van de mooiste partijen die de thema’s uit dit boek mooi verknoopt Carlsen-Karjakin, Wijk aan Zee 2013 (loperpaar, ruimtevoordeel, kleurcomplexoverwicht), maar o zo onbereikbaar: millimeter voor millimeter overwint Carlsen.
Ik vind het dan dus heel fijn dat er een Lakdwalapartij volgt die goed begint en dan bibberend van angst vergeet de aanval offerend te bekronen, met een paar slappe zetjes weer het voordeel verkwanselt en ‘opnieuw moet beginnen’, want dat is nu eenmaal mijn dagelijkse praktijk, onderwijl mijmerend van een aanvalspartij à la Kasparov. In een podcastinterview (IM Cyrus Lakdawala on his books, his autism and that time he had a heart attack at the board) is Cyrus bovendien opvallend open over zijn persoonlijke worstelingen en zijn diagnose als ‘high-functioning autist’ – iets wat bij veel schakers ongetwijfeld voor herkenning zal zorgen. Zijn sterke behoefte aan structuur, principes en herhaalde waarschuwingen tegen dogmatiek zijn in dat licht goed te begrijpen als een manier om vat te krijgen op ons complexe spelletje.
Goed, de boeken zelf dan, die verkrijgbaar zijn als onderdeel van de driedelige Exploiting-serie: Exploiting the Bishop Pair (224 pagina’s), Exploiting a Space Advantage (248 pagina’s) en Exploiting Weaknesses (296 pagina’s) en tezamen een mooi geheel vormen omdat die drie strategische thema’s zo mooi op elkaar ingrijpen – ik hoef maar terug te denken aan mijn partij tegen Merijn en ik kan ze alle drie afvinken. Lakdawala kreeg voor deze serie expliciet de opdracht om clubspelers te helpen strategische thema’s te begrijpen zonder zich te verliezen in variantenbrijen. De boeken zijn bewust compact gehouden en bedoeld om ’tussendoor’ in de trein of op het strand te kunnen lezen (zonder bord, dus veel diagrammen en niet van die eindeloze varianten bomvol leestekens), met de nadruk op uitleg van concepten en principes en minder op variantenbomen. Dat vindt ik een enorm pluspunt van zo’n serie en maakt het toegankelijker dan een boek dat bij iedere partij 36 vraagtekens zet (of nog erger: continu !? want mooi concept maar het rekenapparaat schiet het lek), omdat de computer toch steeds weer een minpuntje ziet. (Dat vond ik eerder zo jammer aan de vernieuwde editie van Boris Zlotnik’s Middlegame Manual: dat ondermijnt de didactische waarde. Kijk, dat was een mooie sprint van Messi en een beste goal, maar het is toch overduidelijk dat hij 0,217 seconde eerder had moeten sprinten, dus vooruit !? voor zijn net iets te lang durende kapbeweging.)
Het centrale uitgangspunt van de serie is: een voordeel is pas iets waard als je weet hoe je het moet gebruiken. Begrip voorop en de didactiek van Cyrus laat daarin niets te wensen over. Met ruim 40 boeken op zijn naam weet hij inmiddels wel een beetje hoe het werkt. Lakdawala besteedt dan ook opvallend veel aandacht aan wanneer een voordeel betekenisvol is, wanneer niet en, misschien wel het belangrijkst, hoe het verkeerd kan aflopen als je het dogmatisch overspeelt. Zijn Principles zijn bedoeld als hulpmiddel en geheugensteuntje: niet als dogma. Dus waar hij eerst in een KI het principe ‘don’t play pawn moves on the side where you are weaker’ meegeeft, zien we in een volgende partij zwart zijn rokadestelling stutten met h6 en f6, zodat het g4-h5 pionnenduo van wit er niet doorheen komt.
Dit zie je goed terug in het eerste deel, waarin Lakdawala erin slaagt het loperpaar te ontdoen van zijn aura van vanzelfsprekend voordeel. Hij analyseert uiteenlopende stellingen: open versus gesloten, symmetrische pionstructuren, ontwikkelingsvoorsprong, vastgeschoven pionnenketens, ruilmomenten en zelfs situaties waarin je het loperpaar bewust teruggeeft om een ander voordeel te consolideren. Wat opvalt, is dat het boek nergens moralistisch wordt: het loperpaar wordt noch verheerlijkt, noch gerelativeerd tot een bijzaak. Het is simpelweg een factor tussen andere factoren (which it is). Die nuchtere benadering maakt het boek didactisch sterk, zeker voor spelers die geneigd zijn te dogmatisch om te springen met ‘het voordeel van het loperpaar’.
Het tweede deel laat overtuigend zien dat ruimte geen uitnodiging is tot aanval per se, maar eerder een vorm van positionele druk. Je knijpt de tegenstander langzaam af, duwt hem van het bord en dwingt hem tot passieve verdediging, wachtend op de beslissende fout. Tegelijk waarschuwt Lakdawala met regelmaat voor het overspelen van het ruimtevoordeel: meer ruimte betekent ook dat er meer gaten vallen die de tegenstander kan benutten voor een tegenaanval. De veer die steeds meer onder druk wordt gezet, om Dvoretsky te parafraseren. Die misvatting blijkt telkens weer als mensen Catenaccio aanzien voor een verdedigende manier van spelen ipv vol op de counter. Wie heeft zich niet al eens stukgelopen op de veerkracht van de egel? Didactisch sterk is dat hij ruimte niet los behandelt als statisch overwicht, maar voortdurend koppelt aan tijd, stukkenactiviteit en doorbraken: aan dynamiek. Daarmee voorkomt hij dat het boek verzandt in abstract geschuif. En er komt dus geen 19e-eeuws partijtje langs waarin wit alles mag doen en zwart lijdzaam toeziet hoe hij wordt weggedrukt.
Het derde en afsluitende deel is inhoudelijk het breedst en vormt in zekere zin het logische sluitstuk van de serie. Waar ruimte-overwicht en het voordeel(!?!??!) van het loperpaar vaak ontstaan uit opening en middenspelopbouw, zijn zwaktes veelal het onbedoelde residu van eerdere beslissingen. Lakdawala behandelt verschillende soorten zwaktes: velden, kleurcomplexen, stukken die niet meedoen of ‘slecht’ zijn en verzwakte (pion)structuur. Terecht stelt hij expliciet dat een zwakte pas een zwakte is als deze aangevallen kan worden, dat wordt nog wel eens vergeten. Ook hier blijft hij nuchter afwegen wanneer een zwakte voldoende aanknopingspunten geeft of juist voldoende gecompenseerd wordt door andere voordelen.
Wie eerder werk van Lakdawala kent, zal niet verrast zijn door de toon: persoonlijk, associatief, soms overdreven beeldend, met regelmatige zijpaden en licht ironische observaties. Dat zal niet iedereen aanspreken, maar binnen deze serie gericht op toegankelijkheid voor een breder publiek, werkt het goed. De uitleg is rijk aan woorden, arm aan kale varianten en voortdurend gericht op het kweken van begrip. Dat maakt de boeken toegankelijk voor een brede groep clubspelers (zeg grofweg 1500–2200 Elo – overigens weet ik nooit welke bovengrens ik moet hanteren maar wat zou het), maar betekent ook dat grootmeesterlijke precisie soms plaatsmaakt voor pedagogische afronding, wat ik persoonlijk alleen maar fijn vindt. Plezier voorop!
Wat je als minpunt zou kunnen aanvoeren is dat de drie boeken thematisch soms meer dan strikt noodzakelijk overlappen, maar m.i. is dat een onvermijdelijk gevolg van het feit dat ruimte, lopers en zwaktes in de praktijk zelden netjes gescheiden voorkomen. En zo’n classificatie moet ook geen doel op zich worden. Daarnaast zul je, als je meerdere boeken van Lakdawala leest, bekende retorische patronen herkennen. Dat is geen ramp, maar het betekent wel dat je het luchtig moet nemen en ook als vermakelijke boeken moet lezen, niet als nors studiemateriaal. Anders ga je je ergeren aan het zoveelste grapje.
Deze serie is bij uitstek geschikt voor de ambitieuze clubspeler die zijn strategisch begrip wil verdiepen en bijvoorbeeld altijd veel plezier beleeft aan de reeks van Herman Grooten: begrijp wat u doet. Spelers die vastlopen tussen ‘ik snap het wel’ maar ‘waarom win ik dan niet’ krijgen hier concrete handvatten, naast een gezonde dosis nuance. Ter lering ende vermaeck, met de nadruk op het laatste.
Verhip, ik heb nog geen diagram gebruikt! Ik sluit af met een parel over ruimtevoordeel:
Timofeev-Khismatulinn, Moscow 2009
Stelling na 40.Tb5!
Er volgde: 40…Pxb5 41.axb5 Ke8 42.Ta1 e6 43.Pe3 d5 44.exd5 Td6 45.c5 Tdd8 46.Kd4 Tac8 47.Txa5 e5+ 48.Kc4 b6 en wat nu gedaan?
49.b4!! en het vervolg laat zich raden. De impotentie van een toren of twee vóór de vrijpion in optima forma.
Winning Chess Strategies – Exploiting (3x)
Auteur: Cyrus Lakdwala
Uitgever: Popular Chess (feitelijk de opvolger van Everyman Chess, bekend van de reeksen ‘Starting Out’, ‘Move by Move’ en een zekere ‘My Great Predecessors’ en net als Quality Chess opgegaan in de New In Chess Group)
Publicatiedatum: 17 september 2025
Bestellen: https://www.newinchess.com/exploiting-bundle (via de site van NewInChess kun je per boek ook sample pages inzien)

