In de schijnwerpers: Jaap van den Herik

In de schijnwerpers: Jaap van den Herik
Lang voordat kunstmatige intelligentie het nieuws beheerste, zag Jaap van den Herik de toekomst al haarscherp voor zich. Als talentvol schaker boekte hij op jonge leeftijd de nodige successen, maar velen kennen hem vooral als de bevlogen commentator die samen met Lex Jongsma van elke schaakanalyse een voorstelling maakte. Entertainment én inhoud, dat was hun handelsmerk.
Toch lag zijn echte passie bij de opkomst van de schaakcomputer. Waar de buitenwereld lachte om het idee dat een machine ooit de mens zou verslaan, bleef pionier Jaap standvastig: de computer zou uiteindelijk de bovenliggende partij worden. Het kostte iets meer tijd dan hij zelf dacht, maar zijn vooruitziende blik bleek meedogenloos juist.
Kun je me wat meer vertellen over je schaakachtergrond? Hoe het begon en in grote lijnen hoe je schaakcarrière is verlopen?
Ik begon bijna zoals Euwe het zich voorstelde, want ik had een oom Jan en die leerde mij schaken. Het spel greep me aan en ik vond het leuk om spelen. Ik zat toen op het Marnix Gymnasium in de eerste klas en in mijn klas waren er anderen die ook schaakten. We vormden een team. Onze wiskundeleraar was een bekende schaker: W. Chr. Goris. Het is één van die mensen waar de schaakwereld er heel veel van heeft. Hij had een eigen dunk. Hij was penningmeester van de Rotterdamse Schaakbond (RSB) en scheidde zich daarvan af en richtte op 10 september 1955 de Nieuwe Rotterdamse Schaakbond (NRSB) op. Hij vond dat de mensen die bij de RSB speelden en in het bestuur zaten altijd zichzelf opstelden in allerlei vertegenwoordigende teams. Daar hield hij niet van. Met die mentaliteit ben ik dus opgevoed. Dus als je een functie hebt, dan moet je niet jezelf gaan opstellen. Het is voor mij een belangrijke levensles. Je moet uitkijken, welke positie je ook hebt, dat je er rekening mee houdt dat anderen naar je kijken en dat anderen je dan beoordelen op wat je doet.
Terug naar de Marnix-generatie. Ik noemde zojuist Goris. Maar de man die me veel meer in het leven hielp starten was Teun ten Kate. Hij was een hartstochtelijke schaker en een bekende hoofdklasser uit Rotterdam. Ten Kate was de eerste Nederlandse kampioen Correspondentieschaak. Goris en Ten Kate waren voor de leerlingen een mooie bron van inspiratie.
Door veel te spelen, onder andere bij het Marnix Gymnasium en bij de schaakvereniging Kralingen, werd ik steeds beter. Ik werd onder andere jeugdkampioen van Rotterdam. Vervolgens ging ik naar het Nederlandse kampioenschap en vandaar ging het verder. Tijdens mijn studie werd ik studentenkampioen van Nederland. Vervolgens speelde ik ook in de wereldkampioenschappen voor studenten.
Ondertussen was er in 1966 iemand in het schaakteam van de SV Rotterdam gekomen. Hij werd een vriendje van me. We speelden ook tegen elkaar. Het ging door me heen:
“Nou, als ik wereldkampioen wil worden, dan wordt hij het eerder dan ik!”
Je merkte het aan de manier waarop we over het spel spraken. Hij begreep het beter dan ik en zag dingen sneller. Om een lang verhaal kort te maken, het was Jan Timman. We zijn tot het einde toe bevriend gebleven.
Destijds kwam ik ook bij Timman thuis en kende pa en ma Timman ook heel goed. We vormden een hecht team. Dat was een leuke periode. Ook na het overlijden van de vader van Jan Timman heb ik met zijn moeder nog veel opgetrokken en vanzelfsprekend ook met Jan en Ton. Sterker nog, Ton is een keer mijn tegenstander geweest bij het studentenkampioenschap van Nederland. Ik moest hem in de laatste ronde verslaan om kampioen te worden. Dat is gelukt. Vervolgens dacht ik:
“Wat wil ik nu?”
Ondertussen leerde ik mijn vrouw kennen. Die deed politicologie. Het ging door mee heen dat als ze bij een ambassade zou gaan werken, ik mee zou gaan en me dan op schaken zou richten. Maar ze vond dat de sfeer die bij de buitenlandse dienst heerste niet helemaal bij haar paste. Ze wilde het niet. Dus moest ik iets anders gaan doen en besloot eerst mijn studie af te maken. Ik studeerde wiskunde aan de VU en voltooide die studie met lof. Vervolgens nam ik een baan als medewerker aan de TU Delft. Uiteindelijk verhuisden we van Amsterdam, waar ik ook nog even aan de VU heb gewerkt, naar Delft. In eerste instantie wilde ik complexiteitstheorie doen. Maar toen ontmoette ik Barend Swets. Barend zette ooit met Peter van Diepen het computerschaak in Nederland op. Zij zijn de aartsvaders van het computerschaak in Nederland. Toen kwam ik erbij. Ze vonden dat goed, maar ik werkte niet samen met Swets. Die deed het liever allemaal alleen. Dat was heel jammer want hij zou bij Euwe promoveren, maar dat is er nooit van gekomen.
Zodoende leerde ik ook Euwe beter kennen als wetenschapper. We trokken veel met elkaar op en gaven samen veel lezingen. Het leidde er toe dat computerschaak het onderwerp werd van mijn onderzoek. In plaats van complexiteitstheorie wilde ik nu promoveren op schaken en studeerde kunstmatige intelligentie. Het kostte een hoop energie om dat van de grond te krijgen. Je moest mensen wakker schudden om ze te laten zien dat ‘Artificial Intelligence’ (AI) een belangrijk onderdeel was van wetenschappelijk onderzoek.
Samen met Denis de Champeaux de la Boulaye legden we de basis voor AI aan de UvA en de TU Delft (toen nog TH Delft). Denis ging kort daarop naar de VS. Zodoende was ik eigenlijk de enige die de grondslagen voor AI heeft neergelegd en uitgebouwd in Nederland. Ik heb in die tijd twee dingen opgericht die belangrijk zijn:
- De Nederlandse Vereniging voor Kunstmatige Intelligentie (tegenwoordig de BeNeLux Vereniging voor Kunstmatige Intelligentie ).
- Computer Schaakvereniging Nederland (CSVN).
Beide organisaties hebben me tot erelid benoemd. Daarna heb ik nog een AI-organisatie opgericht voor het recht: de Stichting JURIX ( Jurix). Daar ben ik erevoorzitter van. Dat was allemaal in de jaren tachtig toen AI nog in de kinderschoenen stond.
Je bent waarschijnlijk een tijdje geleden gestopt met het actieve schaken. Zie ik dat juist?
Dat klopt. Langzaam maar zeker speelde ik zelf steeds minder. Rond 1983, toen ik ging promoveren, werd het schaken minder. Dat je slechter gaat spelen heeft ook te maken met ouder worden. Daar had ik geen zin in en besloot ook niet meer in een team te spelen, want mensen rekenen op je. Ik deed er te weinig aan. Ik behoor tot de mensen die als ze iets doen het serieus nemen en dan moet het voor honderd procent goed zijn. Ik besteedde geen honderd procent meer aan het schaken, maar wel aan het computerschaak. Dus heb ik op een gegeven moment tegen mijn schaakverenigingen (Overschie en Rotterdam) (Overschie in Rotterdam) gezegd:
“Jongens, ik blijf nog wel lid, ja, maar ik speel niet meer voor jullie.”

Foto van Peewee van Voorthuijsen: IBM 1976 met Korchnoi, Velimirovic, Lagawa, Münninghof, v.d. Herik
Ik herinner me dat je vroeger commentaar gaf hij toernooien. Wat waren in het algemeen jouw ervaringen daarbij? Hoe keek het publiek er tegenaan? Wat is je daarbij opgevallen?
Mij is opgevallen dat ik op handen gedragen werd. Ik was natuurlijk de tweede man achter Lex Jongsma, daar voelde ik me ook senang bij. Het ging uitstekend en daarom probeerden we andere dingen te doen. Ik deed de suggestie om Hein Donner te vragen bij het IBM-toernooi. Hein Donner en ik kenden elkaar goed. Ik heb Hein wel eens gevraagd om tegen Belle te spelen. Hij reageerde positief en Donner speelde in Delft tegen Belle en won die partij.
| Hein Donner speelde op 5 maart 1982 een schaakpartij in Delft tegen het Amerikaanse computerprogramma Belle. Dat was destijds de wereldkampioen onder de schaakcomputers. Donner koesterde minachting voor schaakcomputers en won de partij na 56 zetten en ruim vijf uur schaken. Uiteraard gaf Donner een reactie. Volgens hem was het spel van de computer te vergelijken met dat van een kleuter. Hij grapte over het ontbreken van een opgaveknop in de code van het programma. |
Lex en ik gaven beiden commentaar op toernooi-partijen (Hoogovens en IBM). Men wilde graag dat het publiek begreep wat er gebeurde. We vonden het daarnaast ook belangrijk dat het publiek geamuseerd werd. Het was eigenlijk een soort amusementsprogramma. Daar waren zowel Lex als ik goed in. Lex was de frontrunner en ik was degene die als invaller voor hem werd opgeroepen. Lex moest af en toe lesgeven op de universiteit en dan kon hij niet. Gelukkig kon ik dan voor hem invallen. Op een gegeven moment waren er ook andere mensen die dachten:
“Dat is leuk, dat is ook wel iets voor me!”
Een van die mensen die dat zei, hij speelde zelf niet meer, was Hein Donner. Dat was natuurlijk prima. Hoe ging dat soms? Op een zaterdagochtend, ik geloof zelfs dat het de laatste ronde was van het IBM-toernooi, zou Donner commentaar geven, maar hij was er niet. De toernooileiding kwam naar me toe en zei:
“Jaap, Hein is er niet, zou jij commentaar willen geven?”
Dat wilde ik graag en voegde er aan toe:
“Als Hein Donner binnenkomt, dan hou ik er mee op. Want Hein is altijd scherp en ik wil geen ruzie met hem krijgen. Dan geef ik de microfoon aan Hein Donner!”
Ik had dat ook aan mijn publiek verteld. We begonnen rond elf uur (het toernooi startte om tien uur) en na ongeveer anderhalf uur ging de deur open en stond Hein daar met wat slaperige ogen. Ik verwelkomde Hein en sprak:
“Wees welkom, kom binnen!”
Zijn reactie (op de bekende Donnermanier):
“Zo jongen, het is goed dat je alvast begonnen bent!”
Het ging door me heen:
“Het is natuurlijk goed voor het publiek. Maar die vinden het leuk dat jij er nu bent, dus je kunt het overnemen!”
Zijn reactie:
“Jongen (hij sprak me altijd aan met jongen en niet met Jaap) het is wat laat geworden gisteravond en ik geloof dat jij het goed doet, ga maar door.”
Mij relatie met Donner was goed. Alleen Donner had altijd een grote mond en vond dat hij zijn waarheid moest kunnen verkondigen.
| Hein Donner was een geval apart. Hij stond bekend om zijn scherpe pen en eigenzinnige karakter. Zo wilde hij door zijn vrienden Hein genoemd worden en zeker niet Jan Hein (of correct Johannes Hendrikus zijn officiële voornamen). Zijn schrijversnaam was “J.H. Donner”. Berucht is de vete tussen Donner en Lodewijk Prins. Donner keek neer op Lodewijk Prins en vond het een nationale blamage dat hij in 1965 landskampioen werd. Donner beweerde dat Prins “geen paard van een loper kon onderscheiden.” Prins raakte trouwens ook gebrouilleerd met de schaakbond. |
Hij belde me bijvoorbeeld een keertje thuis op en zei:
“Met Donner (op zijn bekende ietwat gedragen toon). Ik bel je even op omdat ik wil weten hoe het is met Jongsma.”
Lex Jongsma was net geopereerd aan een ernstige aandoening en hij wilde uit medeleven weten hoe het met Lex ging. Donner kon Jongsma niet bellen, dus zocht hij contact met mij. Ik heb altijd een zwak voor Donner gehad en ben een Donnerman. Ik weet ook wel dat hij allerlei rare dingen over mij geschreven heeft. Daar kon ik vaak om lachen. Dat kwam natuurlijk mede omdat ik op een gegeven moment niet meer van de schaakwereld afhankelijk was. Ik was van de computerschaakwereld afhankelijk. Ik kon op die manier de schaakwereld op enige afstand en wat objectiever bekijken. De mensen stoeiden met elkaar en dat vonden ze leuk. Hij stoeide ook graag nog even met mij en dat vonden we allebei grappig.
Je hebt ook een boek geschreven samen met Lex Jongsma en Hans Bouwmeester. Hoe is dat tot stand gekomen?
Daarvoor had ik al een boek geschreven samen met Jongsma met de titel “Het duel van de eeuw” (over de match Spassky-Fischer). Ik leverde een grote bijdrage aan het boek, maar Lex wilde daar omdat hij nog aan het begin van zijn carrière stond, graag als enige auteur op staan.
Waar jij op doelt is “Het schaak der wrake” over de match Karpov-Korchnoi (1978) in Baguio op de Filipijnen. Daarover zei Lex, weet je, daar gaan we ook weer een boek over schrijven en nou ben je gewoon auteur. Je kunt stellen dat ik mijn positie als auteur had verdiend na de eerste uitgave. Vervolgens vroeg hij:
“Heb je er bezwaar tegen als we Hans Bouwmeester ook bij ons team vragen?”
Ik vond het prima en zelfs leuk. Vervolgens nam Bouwmeester de analyses voor z’n rekening. Als je destijds een schaakboek uitgaf dan werd het manuscript heel veel keer bekeken. Tegenwoordig doen computers dat. Dat had je toen nog niet. Daarom vroegen we Hans Bouwmeester of hij mee wilde werken.
| U vindt op schaaksite talloze artikelen over Hans Bouwmeester. Ik interviewde hem in 2021 en Johan Hut nam hem op in zijn serie ‘Top 40 Nederlandse schakers’ |
Dat geeft meteen weer een nieuw verband want Letty (Jaap z’n vrouw) en ik gaan af en toe bij Hans Bouwmeester op visite. Toen hij laatst jarig was, was dat zeer gezellig. Het jaar daarvoor hebben ze een groot feest georganiseerd voor zijn 95ste verjaardag. Dat was heel leuk. We hebben een band voor het leven gelegd. Zie de collage hieronder met talloze bekende gezichten uit die tijd.
Op welk moment begon je schaken en automatisering met elkaar te combineren en wat waren daarbij de belangrijkste overwegingen of gedachten?
Dat is een diepgaande vraag en die vraag heb ik aanvankelijk overgeslagen. Want je vraagt wanneer begon je automatiseren en schaken met elkaar te combineren? Dat heb ik pas na afloop gedaan van mijn onderzoek. Dat betekent, kijk, ik was helemaal gegrepen door het schaakspel. Het was schaken, schaken en nog eens schaken. Ten tijde van mijn eerste ontmoetingen met Timman was ik dus gegrepen door het schaakleven. Maar het ging door me heen:
“De computer, die kan het misschien wel beter!”
Vanaf dat moment was ik tamelijk eenzijdig gericht op computerschaak en maakte er mijn leven van terwijl ik nooit dacht aan automatiseren en dat soort zaken. Ik automatiseerde het schaken en ik automatiseerde het schaakdenken en was er mee bezig om het schaakdenken in de computer te zetten. Maar daarmee was ik niet bezig met het automatisering van andere processen die je in de computer zou kunnen zetten. Ik had maar één doel en dat was: de computer moet goed kunnen schaken.
Pas nadat ik daarin geslaagd was en promoveerde, ben ik breder gaan kijken en dat breder kijken ging al heel snel. Ik promoveerde in 1983 en in 1987 werd ik hoogleraar in Maastricht. Bijna tegelijkertijd vroeg de universiteit Leiden me of ik hoogleraar wilde worden bij de juridische faculteit in Leiden. Via een brief bedankte ik de decaan en gaf aan dat ik al hoogleraar was. Hij wist dat nog niet omdat ik die taak heb aangenomen op 1 oktober 1987. Een ander punt is dat ik niks van het recht weet en hij dus beter iemand anders kon zoeken. Ze wisten niet dat ik al ergens anders hoogleraar was geworden, maar voegden er aan toe dat het maar voor één dag in de week was op de zogenaamde Leidse Universiteitsstoel. Dat vond ik op zich prima, maar het punt bleef dat ik geen kennis van het recht had. De decaan schreef weer een brief:
“Dat recht dat leren wij u wel, u moet ons leren hoe je met computers omgaat!”
De decaan vond dat ik een vooruitziende geest was en ze wilden aan AI gaan doen. Het was iets dat hij enorm steunde. Hij maakte het me makkelijk:
“Stuurt u ons maar de sollicitatiebrief die u naar Maastricht gestuurd heeft. Dan breng ik bij de commissie van hoogleraren en hoort u van me”.
Ze hadden zelf niemand die in de kunstmatige intelligentie zat, dus zodoende werd ik ook daar hoogleraar. Ze vroegen of ik mijn inaugurele rede een jaar later zou kunnen geven. Maar dat was te snel voor me omdat ik eerst veel meer wilde weten over het recht. Die rede hield ik in 1991 met de titel “Kunnen computers recht spreken?”
Voor mij was het een doorbraak die ik de rest van mijn leven heb meegenomen. De decaan, Van Staden, heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Alle lof voor de koninklijke behandeling die hij me heeft gegeven.
De juridische wereld had er, op een paar mensen na, moeite mee. Ze geloofden er niks van. Eén van de mensen die mij tot het einde verdedigde en steunde was (Peter) Pieter Kooijmans. Hij was destijds hoogleraar in Leiden. Maar hij is ook minister van Buitenlandse Zaken geweest. Hij verdedigde me tegen een front van juristen die uiterst sceptisch waren over een eventuele rol van de computer binnen het recht. Want geen enkele jurist geloofde dat dit kon. Dat enorme vertrouwen van Pieter heeft me flink versterkt. Ook Hans Franken heeft me geweldig geholpen. Hij was een tikkeltje sceptisch, maar besloot toch om me wegwijs te maken op de universiteit en me overal mee te helpen en samen te werken. We zijn tot op de dag van vandaag bevriend met elkaar.
En is daar uiteindelijk wat mee gedaan?
Mijn antwoord is natuurlijk een volmondig ja, voluit. Er waren ook mensen die het nog een tijdje tegenhielden. Ze namen me niet serieus en schreven zelfs een boek waarin ze mijn werk niet eens noemden. Zoiets is eigenlijk een schande voor de juridische wereld. De computer heeft uiteindelijk ook zijn intrede in het recht gedaan. Rechters kunnen het prima gebruiken. Ze moeten niet klakkeloos op computers afgaan en hun gezonde verstand blijven gebruiken. De computer geeft ze verschillende invalshoeken die ze wellicht zelf over het hoofd zien. Zeker bij hele complexe zaken.
Schaken en recht hebben met elkaar gemeen dat je je aan de regels moet houden. Maar bij schaken hoeft er niks meer geïnterpreteerd te worden. Dat is anders bij de rechtspraak. Het recht geeft meer mogelijkheden tot verschillende interpretaties .
Bij het MEC (Max Euwe Centrum) heb je een verhaal gehouden over Euwe die niet voorzag dat de computers beter zouden gaan schaken dan mensen. Ik herinner me vaag dat Botwinnik ook bezig was met een computerprogramma waarvan Euwe beweerde: dat gaat nooit lukken. Zie ik dat goed?
Het is juist wat je zegt. Daar kan ik niks aan verbeteren, maar ik heb er wel toevoegingen bij. Euwe dacht inderdaad dat de computer niet sterker zou kunnen schaken dan een mens. Hij was het eens met de psycholoog Adriaan de Groot en zijn argumentatie. Hun redenering was dat mensen spelen met behulp van alle kennis die ze hebben. Bovendien hebben ze mede op basis van die kennis (o.a. de talloze patronen die ze kennen) een ontwikkelde intuïtie. Grootmeesters spelen veel op basis hun intuïtie. Ze voelen feilloos aan wat de beste zet is. Als je ze dan vraagt: waarom? Dan hebben ze niet altijd een antwoord maar ze weten wel zeker wat de beste zet is.
Intuïtie is een belangrijk element in het schaken voor grootmeesters en wereldkampioenen. De Groot en Euwe vonden dat je intuïtie niet kunt programmeren. Intuïtie is vaak gebaseerd op de concepten en patronen die we in ons geheugen hebben opgeslagen. Mede op basis daarvan kies je voor enkele zetten waarvan schakers denken dat die in een stelling hout snijden (kandidaatzetten) en daarmee ga je aan de gang. Je laat jouw gedachtegang niet uitsluitend overheersen door je intuïtie (die stuurt ons soms de verkeerde kant op). Je bekijkt de zetten en maakt vervolgens een keuze. Sommige zetten kunnen gemakkelijk weerlegd worden en andere zetten niet en dan moet je ze doorrekenen. Computers hebben veel meer rekenkracht dan mensen en dringen dieper in de stelling door.
Je haalde Botwinnik aan. Die was inderdaad bezig met een computerprogramma. Daarvan zei Euwe: dat gaat niet lukken of iets dergelijks. Nadat Botwinnik overleden was, heeft zijn kleinzoon de spullen naar me gestuurd. Maar dat waren spullen waar ik helemaal niks aan had. Het was typerend voor Botwinnik, die had wel de naam, maar die had niet het materiaal. Hij was ook een keertje naar een wereldkampioenschap voor computers gekomen in 1977. Uiteindelijk heeft hij niet deelgenomen. Hij trok zijn programma terug omdat het nog niet goed was. Maar het programma is nooit goed geworden. Dat had Euwe wel uitstekend gezien. Adriaan de Groot zei:
“Kijk eens, dat de computer beter zal schaken dan de mens, gaat nooit gebeuren!”
Maar hij wilde wel graag mede promotor zijn. Feitelijk was Henk Lombaers mijn promotor. Hij was zelf programmeur en hoogleraar op het gebied van operationele research. Deze tak van wetenschap richt zich op de toepassing van wiskundige technieken en modellen om processen binnen organisaties te verbeteren of te optimaliseren.
| Jaap van den Herik promoveerde in 1983 aan de Technische Universiteit Delft op zijn proefschrift over computerschaak. Hij had hierbij drie promotoren:
1. Henk Lombaers (wiskundige) 2. Adriaan de Groot (psycholoog) 3. Joop Doorman (filosoof) |
Lombaers had veel belangstelling voor kunstmatige intelligentie en schaken, dus deed hij mee, maar dan op het gebied van computers. Let wel, op een gegeven moment vertelde hij me:
“Dit groeit boven mijn hoofd. Ik kan niet meer alleen promotor zijn van je. We moeten er een paar mensen bij hebben. Ken jij mensen die daarbij behulpzaam kunnen zijn?”
Mijn reactie was dat ik Adriaan de Groot heel goed kende. Het is de man van ‘Thought and choice in chess’ die kan ik wel vragen en hij zal zeker mee willen doen. Lombaers vond het goed, maar hij wilde er nog iemand anders bij hebben. Het werd de wetenschapsfilosoof Joop Doorman. Doorman werkte ook aan de TU Delft en had veel verstand van wetenschap. Hij werd mijn promotor voor de wetenschappelijke en intuïtieve aspecten.
| Joop Doorman had een beroemde vader: schout bij nacht Karel Doorman. |
Wat had Adriaan de Groot toe te voegen?
Ik kende Adriaan onder andere via het spelen van diverse vriendschappelijke wedstrijden. Denk daarbij aan bekende schakers, zoals Donner, Nicolaas Cortlever en Lodewijk Prins die daar afwisselend aan meededen. Kennelijk vond men me zo goed dat ik ook mocht meespelen omdat ik die studentenkampioen was. Ik was een opkomend talent, alleen had ik mezelf een beetje verstopt achter Timman. Door de deelname aan dergelijke wedstrijden had ik ook makkelijk toegang tot De Groot. Het werd een interessant gesprek. Ik sprak hem nu aan met professor en niet met Adriaan en zei tegen hem:
“Ik wil je wat vragen. Ik ben een beetje bezig met onderzoek naar computerschaak. Jij hebt onderzocht hoe schakers denken. Het zou mooi zijn als jij mijn medepromotor zou kunnen zijn bij Lombaers.”
Hij tikte me op de arm en reageerde met:
“Het is een moeilijke en interessante vraag.”
Hij bleef even stil en vervolgde met:
“Ik ga je vertellen dat wat jij onderzoekt helemaal nooit gaat gebeuren. Daar moet je je goed van bewust zijn. Maar overigens ben ik graag je promotor!”
Hij vond het onbegonnen werk, maar wilde er graag bij betrokken zijn omdat hij het zeer interessant vond. We spraken elkaar nog vele malen en ten slotte de laatste keer vlak voor zijn overlijden. Ik bedankte hem voor alles wat hij voor me heeft gedaan:
“Zonder jou was ik nooit zover gekomen en ik ben je daarvoor zeer erkentelijk!”
Zijn reactie was:
“Ik zou het als volgt willen samenvatten: we waren het zelden eens, maar we mochten elkaar graag!”
Terug naar artificiële intelligentie. Computers verslaan mensen bij het schaken en go, ze herkennen spraak en gezichten, kunnen medische beelden analyseren en gespecialiseerde problemen binnen een afgebakend domein oplossen, zoals juridische kwesties. De vraag is hoe ver zijn de computers vergeleken met menselijke vaardigheden?
Nou nog niet zo ver. Computers zijn al heel ver natuurlijk. Maar betrouwbaarheid is nog een probleem. Vergelijk het met wat we regelmatig zelf meemaken. Als je iemand tegenkomt, dan weet je niet of die persoon betrouwbaar is. Het zijn eigenschappen die je wel een beetje kunt karakteriseren. Je kunt heel gemakkelijk concluderen als iemand gestolen heeft dat hij onbetrouwbaar is. Maar het tegengestelde van dat geheel is veel moeilijker te karakteriseren. Edoch, begrippen zoals betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en eerlijkheid zijn begrippen die in de maatschappij super belangrijk zijn, daarbij zijn ze voor ons niet goed tastbaar. Met andere woorden een duidelijk onderscheid is lastig te maken. Het zijn zaken die moeilijk te markeren zijn en op dit moment zijn ze voor AI nog een stap te ver.
Begrijpen we zelf wel hoe AI tot bepaalde ideeën en conclusies komt?
Dat is een goeie vraag. Het antwoord is aan de ene kant ‘ja’ en aan de andere kant nog ‘nee’. Daarbij zijn de volgende begrippen van belang:
- Explainability
- Interpretability
- Intelligentability
Dat zijn drie moeilijke begrippen. De vraag is: kan AI uitleggen waarom hij tot bepaalde beslissingen komt? Dat is dus die explainability. Als het over eenvoudige dingen gaat, dan kan AI het uitleggen. Dus voldoet AI tot op zekere hoogte aan de explainability.
Bij intelligentability gaat het dus over begrijpelijkheid. Dat is ingewikkeld. Want bij mensen hangt het af van hoe ze in elkaar steken. Denk aan intelligentie, afkomst, geloof en bepaalde andere overtuigingen. Dan kun je op een gegeven moment zeggen die man of vrouw opereert aan de hand van bepaalde drijfveren. Al die verschillende achtergronden, overtuigingen, meningen en drijfveren zijn moeilijk te definiëren. Het is bijzonder complex om dat tastbaar te maken omdat je hierbij spreekt over totaal andere uitgangspunten. Zie daar maar eens heldere concepten voor te definiëren. En dan heb je direct de volgende vraag: hoe passen die concepten in elkaar?
Dan nu de grote hamvraag: kan AI het schaakspel uiteindelijk helemaal oplossen?
Dat kan in mijn optiek met Quantum technologie. We zijn er in Maastricht onlangs mee begonnen. Maar nog niet met het schaken want het schaken is nog niet kwantificeerbaar voor Quantum technologie. De uiteindelijke oplossing van het schaakspel is dus nog lang niet zover. Als je me vraagt wanneer Quantum technologie dat kan, dan denk ik ergens rond 2055. Het is uiteraard wel een gok.
| Quantum technologie is een vakgebied dat gebruikmaakt van de wetten van de kwantummechanica. Het past fenomenen zoals superpositie en verstrengeling toe om apparaten te bouwen. Hiermee worden berekeningen, metingen en beveiligingen mogelijk die met normale techniek niet kunnen. |
Tenslotte: je bent voorzitter van het MEC-bestuur. Kun je die rol beschrijven?
Daar kan ik je een kort antwoord op geven: de naam en de ideeën van Euwe uitdragen.



Wat een geweldig interview Michel.
Grote dank hiervoor!
Hartelijk bedankt! Het was erg leuk om te doen. En Jaap is natuurlijk een bijzonder aardige en inspirerende man.