Grandmaster Gambits 1.e4: een recensie
Het was alweer even geleden dat ik een repertoireboek had gekocht. Eerlijk gezegd, het was nu ook per ongeluk gegaan. Al bladerend over newinchess.com viel mijn oog op dit boek, met de titel ‘Grandmaster Gambits: 1.e4’. Dat niet alleen, het was geschreven door de excentrieke ‘Ginger GM’ Simon Williams en veelschrijver Richard Palliser, auteurs die informatie over het algemeen wel wat luchtiger weten te brengen.
Wat wil je nog meer? Dacht ik. Een mooi boek over de verschillende gambieten na 1.e4. Niet alleen voor mezelf, maar ook als schaaktrainer voor mijn leerlingen zou het nuttig zijn om wat meer overzicht te hebben van de verschillende gambieten na 1.e4.
Maar, het is dus geen boek met daarin een overzicht van verschillende 1.e4 gambieten, het is een openingenrepertoire dat is gebaseerd op de zet 1.e4 en een reactie heeft op alle mogelijke antwoorden van zwart. En voordat u denkt of die uitspraak wel klopt, beken ik dat ik niks heb gezien tegen de zwarte reacties 1…b5, 1…Ph6 en 1…Pa6. U mag bepalen of u dat een verlies vindt.
Na het mentaal omschakelen besloot ik op basis van de inhoudsopgave maar eens een zwarte opening te pakken waarvan ik wel benieuwd was hoe wit er een gambiet van zou maken. Het viel me op dat de Caro-Kann maar een hoofdstuk had van een paar bladzijden. Hoe kan zo’n solide, diep geanalyseerde en gerespecteerde opening nou maar 10 bladzijden krijgen in een boek van meer dan 400 pagina’s? In vergelijking, de Pirc (1…d6 & 2…Pf6) kreeg er 50, de Moderne opening (1…g6) kreeg er 35 en zelfs de Zwarte Leeuw (1…d6, 2…Pf6 en 3/4…e5) kreeg er 28.
Ik bladerde naar het hoofdstuk en zag de volgende tekst en deze bijbehorende afbeelding staan, waarna ik toch even de neiging kreeg het boek meteen te retourneren:
The Hillbilly attack







Toen ik als kind echt geïnteresseerd raakte in schaken, las ik veel toernooiboeken. Dat waren vooral de blauwe toernooiboeken van de ECI-toernooien in Sas van Gent waar gesloten IM-groepen verspeeld werden. Zo las ik over Herman Grooten die IM werd, over een spannende tweestrijd tussen Rini Kuijf en Paul Motwani (die in de laatste ronde verloor van Gunter Deleyn) en over het Europees Jeugdkampioenschap van 1992 in Sas waar Dimitri Reinderman derde werd, na Aleksandrov en Borovikov. Die laatste werd tweede zonder dat hij een officiële rating had. Kom daar nu nog eens om! Later zijn er niet zo veel toernooiboeken meer toegevoegd aan mijn (bescheiden) bibliotheek. Natuurlijk kocht ik ooit Bronsteins boek over Zürich 1953 en een van mijn favorieten is nog steeds ‘Waarom schaakt u eigenlijk?’ over het laatste VSB-toernooi in 1996 met prachtige schaakverhalen van beroemdheden, waarbij ik vooral geïntrigeerd raakte door Mart Smeets die vertelde waarom er aan hem een groot schaker verloren is gegaan. Aan de vooravond van het Tata-toernooi van 2022 verscheen bij
Dit nieuwe boek: 100 Endgame Patterns You Must Know (2021) van Jesus de la Villa is een vervolg op zijn eerdere boek: “100 Endgames you must know.” Hoewel de titel niet heel anders is, is de benadering van het nieuwe boek wel anders. Waar het eerste boek prachtige eindspelen belicht die elke schaker zou moeten kennen, vertaalt het nieuwe boek deze eindspelen naar patronen die, naar mijn mening, waardevoller zijn simpelweg omdat het de informatie op een meer directe manier presenteert. In wezen vertelt het boek je: Dit is het patroon en dit is wat je moet leren. Mijn opmerking moet wel met een korreltje zand worden genomen, aangezien ik het vorige boek niet heb gelezen; Ik heb alleen de recensies ervan gelezen en uitgelichte partijen bekeken.
