Twee presentaties rondom het Damegambiet
Één van de meest gespeelde openingen ontstaat na de openingszetten 1.d2-d4 d7-d5, het Damegambiet. In elk geval zullen deze beginzetten in partijen van clubschakers zeer regelmatig op het bord verschijnen. Vandaar dat het nieuwe boek van ondergetekende, dat de afgelopen zomer is verschenen, de titel heeft gekregen: ‘Begrijp wat je doet deel 2, Damegambiet structuren’. Het boek is een zeer uitgebreide aanvulling op de artikelen ‘Begrijp wat u doet’ die de auteur voor het blad van de KNSB, Schaakmagazine, verzorgt. Dit boek, het tweede in een reeks, geeft een overzicht van stellingen, hun bijbehorende plannen en concepten die ontstaan in het Damegambiet. Het boek is in het Nederlands geschreven en wordt uitgegeven bij de Belgische Uitgeverij Thinkers Publishing.

Magnus Carlsen aan het werk in Wijk aan Zee (foto Frans Peeters)
Van het Damegambiet wordt wel eens gezegd dat elke speler deze opening absoluut een keer gespeeld moet hebben. Vrijwel alle wereldkampioenen hebben de opening op hun repertoire gehad omdat bekend is dat het inzicht in verschillende structuren hierdoor vergroot wordt. Het begrip van de diverse pionnenstructuren, zoals de geïsoleerde pion of de hangende pionnen, is dermate belangrijk, dat hierdoor meer diepgang in het spel kan worden bewerkstelligd. In het boek wordt aangegeven hoe men plannen en concepten kan
afleiden aan de hand van een pionnenstructuur. Via de teaser kan men hiermee al even bekijken hoe dat in zijn werk gaat.
Speciaal voor de geïnteresseerde bezoeker van Schaaksite geef ik hieronder een sterk staaltje dat in het boek is opgenomen waarin de huidige wereldkampioen een oud-wereldkampioen weet te verslaan puur op basis van een zwakte in de pionnenstructuur. De twaalfde zet uit deze partij werd dat jaar uitgeroepen tot het ‘Nieuwtje van het jaar 2016’. Carlsen kreeg de prijs overhandigd, maar schonk hem onmiddellijk aan zijn secondant Jon-Ludvig Hammer, die de geweldige en op het ook zeer bizarre zet in de studeerkamer had bedacht.
Lees meer >
Wat is de aantrekkingskracht van Richárd Réti’s (1889 – 1929) ‘hypermoderne’ benadering van de opening? De inmiddels alweer lang overleden meester van de moderne school hield van fianchetto’s, van spel over de flanken, en beslist niet van het strikt navolgen van de traditionele Gouden Regels. Pionnen in het centrum kunnen een kwetsbaarheid zijn, meer nog dan een vaste waarde. Daarnaast waren er zelfs toen al genoeg partijen verspeeld met steeds maar weer diezelfde beginzetten. Ik kan me zo voorstellen dat Réti zuchtend langs de schaaktafels liep als hij overal 1. d4 – d5 en 1. e4 – e5 op de borden zag staan. Nee, de meester van het hypermodernisme beroemde zich op de flexibiliteit van zijn openingsaanpak. Met 1. Pf3! zou hij maximaal kunnen anticiperen op het spel van zijn tegenspeler, of deze nou een agressieve of positionele speelstijl zou willen hanteren.
t beter gekozen had kunnen worden door auteur Thomas Willemze. De analogie gaat best wel ver: het boek een grote variatie heeft aan gereedschap, de gereedschapskist is op het eerste gezicht wat rommelig (maar is dat niet, kom ik op terug) en, last but not least, het gereedschap is alles behalve bot, krom of verroest. Hoewel IM John Watson in het voorwoord van het boek (beschikbaar in sample pages op
Toen ik de aankondiging zag van de verzamelde schaakrubrieken van Gerben van Manen, schrok ik. Schreef hij fantasieverhalen in de Leeuwarder Courant? Nee, Ernst Grünfeld had een houten been en Van Manen heeft met hem in de auto gezeten.
Van Manen zit ertussenin. Hij speelde van 1978 tot 1984 met Philidor Leeuwarden in de hoofdklasse en scoorde daar 50 procent. Hij is geboren in 1946 en toen hij op z’n 52e begon met zijn schaakrubriek, kon je hem dus omschrijven als iemand die op hoog niveau geschaakt had, dat achter zich had maar nog ruim genoeg begrip had voor het spel om erover te schrijven. Hij is trouwens internationaal meester in het correspondentieschaak.

