1B: Vianen/DVP – Venlo 4½ – 5½
In 1B gaat het roemruchte Rotterdam degraderen, dat kan bijna niet anders. Maar wie wordt de nummer negen? Daarvoor zijn er nogal wat kandidaten. Venlo trok zich daaruit ietwat op door concurrent Vianen/DVP te verslaan. De Limburgers krijgen weer aansluiting bij de middenmoot, schrijft Henk van Gool in zijn verslag met veel partijfragmenten.
Venlo 1 heeft de uitwedstrijd tegen Vianen/DVP met de hakken over de sloot gewonnen.
Het zag er aanvankelijk niet naar uit dat de Venlonaren met twee matchpunten huiswaarts zouden keren. Na een korte remise tussen Ulrich Perschke en Christian Busch kwam Venlo op een 2,5 – 0,5 achterstand door nederlagen van Thomas Neuer en Thijmen Smith. Beiden gaven pardoes een stuk weg.
Hadden beiden last van een winterslaap?
“Wie heeft het toernooi gewonnen?” vraagt mijn jeugdige collega de dag na afloop van het Tata Steel Chess Tournament als ik de draad van het gewone leven op mijn werk weer probeer op te pakken. “Magnus Carlsen” antwoord ik iets te snel maar ik voeg er gelijk aan toe: “en nog een paar honderd anderen!” Want het toernooi bestaat niet alleen uit de Masters en daarop volgend de Challengers. De vele vierkampen en tienkampen zorgen samen met wat speciale groepen – waaronder het journalistenkampioenschap en zelfs een arbiterstoernooi – voor meer dan 320 winnaars! Natuurlijk zijn de spelers op het podium het belangrijkst en het uithangbord van het toernooi. Maar wat het ook zo wereldberoemd maakt is het feit dat het overgrote deel van die amateurs in één zaal speelt met de professionals en dat het systeem van meerkampen met promotierecht iedere schaker de mogelijkheid geeft om de groep van de Masters te bereiken! 
Om de haverklap komen er schaakboeken uit die elk een volgens de schrijver onderbelicht aspect van het schaakspel beschrijven. Liefst met een titel die je een tikje onzeker maakt over je eigen schaakfunctioneren. Mooie voorbeelden zijn 100 endgames you must know (“shit, ken ik die wel allemaal?”) of Secrets of modern chess strategy (“dadelijk kennen mijn tegenstanders die geheimen al wel!”). Ik vraag me echter altijd af welke van die boeken de tand des tijds doorstaan. Er valt dan ook wel iets voor te zeggen om net als in de wereldliteratuur enkel klassiekers te lezen: per slot van rekening hebben we in ons leven maar beperkt tijd en zegt het wel iets dat die boeken nog altijd herlezen worden. Omdat mijn interesse uitgaat naar de meer psychologische kanten van het schaakspel, heb ik voor deze review gekozen voor een moderne klassieker: het boek John Nunn’s ‘Secrets of practical chess’, waarvan de eerste druk in 1998 uitkwam.
