Column 54: Anekdotes rondom Donner
Het verhaal in de Top-40 van Johan Hut over grootmeester Jan Hein Donner heeft de gemoederen flink in beweging gebracht. Zoals de Amsterdammer dat gedurende zijn leven zelf ook al volop voor elkaar had gekregen, lukt het hem zoveel jaren na zijn dood toch ook weer. Het boek De Koning van Tim Krabbé en Max Pam laat ook zien hoe Donner er vaak in slaagde om te provoceren en te choqueren. Maar dat hij de lachers meestal op zijn hand kreeg, is ook een feit.

Jan Hein Donner (foto Wikipedia)
Als jonge snuiter van 22 jaar heb ik hem nog even van nabij meegemaakt. En ik moet zeggen dat het een hele belevenis was. Als totale outsider had ik me gekwalificeerd voor het Nederlands Kampioenschap in 1981 in Leeuwarden. Het ging toen om een veertienkamp, dat waren nog eens tijden… Er werd gespeeld in een soort van theater en alle spelers waren ondergebracht in het fameuze Oranjehotel.
Mijn eerste contact met Donner was al heel bijzonder. Bij de loting kwam uit de bus rollen dat ik al in de eerste ronde tegen de Grand maître zou spelen. We zaten aan een lange tafel en Donner keek wat meewarig, mompelde mijn naam (“Grooten, Grooten, wie is dat?”). Uit alles bleek dat hij niet wist wie de debutanten waren (er waren er drie, naast mij Rini Kuijf en Coen Stehouwer) en wat hij er zich bij voor moest stellen.


Toen ik in 2012 met enkele vrienden van de Koninklijke Brugse schaakkring een toernooi in het Spaanse Benasque speelde, waren twee van hen, Frederic Decoster en Linton Donovan, in de ban van de Tarrasch-verdediging. Ik was toen net begonnen met het spelen van 1. d4 en met de nuances en subtiliteiten van de Tarrasch-verdediging was ik onbekend. In mijn onwetendheid ging ik ervan uit dat wit makkelijk spel had tegen de geïsoleerde pion op d5. Dat was natuurlijk wel erg kort door de bocht aangezien veel giganten uit het verleden de Tarrasch in hun repertoire hadden. Frederic en Linton lieten me toen zien welke gevaarlijke ideeën zwart tot zijn beschikking heeft en sindsdien had ik altijd wat schrik om de Tarrasch tegen te krijgen, wat ook weer overdreven was. In 2011 verscheen het boek The Tarrasch Defence van Jacob Aagaard en Nikolaos Ntirlis wat gerust een standaardwerk genoemd mag worden. Het boek leidde tot een opleving van de opening die vooral populair was in de jaren 70 en 80. Sinds 2011 heeft men natuurlijk niet stilgezeten en volgens de laatste stand van de theorie heeft zwart volgens mij wat probleempjes. Ik was dus benieuwd wat Alexey Bezgodov zou vertellen in The Art of the Tarrasch Defence dat eind 2017 verscheen bij uitgeverij New in Chess. 

