Schaakrubrieken weekend 18 maart 2017

Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar deze schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend.

Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar deze schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend.
Omdat het schaakspel een eeuwenoud spel is, dat naar schatting al 3000 jaar oud is, lijkt het mij gepast om een serie korte artikelen te presenteren, waarin de schaakgeschiedenis voor het voetlicht wordt gebracht. In de vorige aflevering hebben we het gehad over Max Euwe (1901-1981), de enige Nederlander die ooit wereldkampioen schaken werd. In deze nieuwe aflevering zullen we het hebben over Mikhail Botwinnik (1911 – 1995).
Nadat Euwe in 1935 de titel had veroverd op Aljechin moest hij twee jaar later in de revanchematch de eer aan zijn tegenstander laten. Toen Aljechin in 1946 stierf was hij nog altijd de regerend wereldkampioen. Dat betekende dat de titel vacant was en terecht kwam bij de man die hem nog in 1935 verslagen had.
Maar Euwe was een gentleman, hij wilde niet op deze manier gekroond worden en hij stelde voor om de titel ter beschikking te stellen aan de Fide, de wereldschaakbond, die in 1924 was opgericht. Deze bond besloot om vlak na de tweede wereldoorlog een zeer sterk bezet internationaal toernooi te houden met de wereldtitel als inzet.

Mikhail Botwinnik (foto bron onbekend)
Dat evenement kwam er in 1948 waarbij er voor de eerste helft in Den Haag en voor de tweede helft in Moskou werd gespeeld. Uitgenodigd werden Reshevsky, Botwinnik, Keres, Smyslov, Euwe en Fine. Laatstgenoemde bedankte echter omdat hij geen vergoeding van de Amerikaanse schaakbond kreeg.
Na harde strijd eindigde Mikhail Botwinnik (1911 – 1995) bovenaan en werd hij tot wereldkampioen uitgeroepen. Met deze wereldtitel luidde hij tevens het begin in van de jarenlange overheersing van de Sovjet-Unie. Het spel van Botwinnik wordt gekenmerkt door zijn fijnzinnige positionele gevoel dat gepaard ging aan een technisch bijna perfecte eindspelbehandeling. Een voorbeeld hiervan zien we terug in de volgende partij.
Lees meer >Er komen op deze lijst grote schakers voor die nooit Nederlands kampioen werden, omdat Euwe dat in hun tijd altijd werd. Daniël Noteboom behoort daar niet toe, hij nam namelijk nooit aan het Nederlands kampioenschap deel. Toch gold hij als een potentiële wereldtopper.

Daniël Noteboom werd op 26 februari 1910 geboren in Noordwijk. Op zijn vijftiende werd hij lid van het Leidsch Schaakgenootschap, maar dat ging niet zomaar. Philidor Leiden was de club voor arbeiders en studenten, LSG de club voor deftige heren. Noteboom werd omschreven als een ‘baardloze knaap in korte broek’. Toch werd hij toegelaten en hij werd al snel clubkampioen en speler van het eerste team. LSG speelde niet in de hoofdklasse, daarom stapte hij over naar NSRV (Rotterdam).
Noteboom werd nog niet uitgenodigd voor het Nederlands kampioenschap. Wel won hij in september 1930 een achtkamp in Den Haag voor graaf Johannes van den Bosch en Salo Landau. Zij golden als grote mannen achter Euwe, dus de jongeman klopte hiermee aan de poort van de Nederlandse top. Meer succes had hij internationaal, met een toernooiwinst in Nice (1930) en vele goede resultaten in Engeland. Noteboom stopte tijdelijk met zijn scheikundestudie en woonde zelfs even in Berlijn, waar hij als schaak- en bridgeleraar geld verdiende en hoopte op een uitnodiging voor een sterk toernooi. Misschien kunnen we Noteboom zien als Neerlands eerste profschaker.
Noteboom-variant
Zijn grootste succes boekte hij op de Olympiade in Hamburg (1930), waar hij aan het derde bord 11,5 uit 15 scoorde. Hij versloeg zelfs de latere WK-kandidaat Salo Flohr, die desondanks 14,5 uit 17 scoorde. Noteboom had Flohr in Hastings 1929 ook al verslagen.
Lees meer >
Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar deze schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend.
De zaterdag voor de Landelijke verkiezingen wordt er geflyerd, door alle partijen. Als je genoeg mensen hebt, wordt er al eerder gestart: de zaterdag er voor en een koopavond. Ook na ‘de’ zaterdag is er campagne-activiteit bij voorbeeld op de stations. Maar het zwaartepunt is en blijft toch het campagne voeren op ‘de’ zaterdag bij de winkelcentra. Als afdelingsvoorzitter ontkom ik natuurlijk niet aan mijn lot: ik moet meedoen. Dat is hoognodig om een voldoende aantal mensen op de been te brengen om een heel winkelcentrum te aan te kunnen.
Lees meer >Schaakpartijen met analyses, schaakverhalen en een mooie jongedame (ze is al 18 geworden, want dit is een site voor nette mensen).
Wat wilt u dus nog meer? Dit vindt u alleen in de column van Hans!
Lees hem gauw op deze zonnige zondag. Klik hier !
In deze fase van de lijst komen we spelers tegen die hoger zouden hebben gestaan, als ze hun kansen hadden benut. Norman van Lennep is daar het grootste voorbeeld van.
De jonkheer, ook familie van schrijver Jacob van Lennep, werd geboren op 20 september 1872 in Amsterdam en verhuisde als kind met zijn ouders naar een landgoed in ’s-Graveland, een buurdorp van Hilversum. Al op z’n twintigste werd hij secretaris van de schaakbond en eindredacteur van het bondsblad. Hij reisde het land door om simultaanseances te geven en andere promotionele activiteiten te ondernemen. De gebrekkige financiën van de bond vulde hij anoniem aan uit zijn familievermogen.

Eerste meester
In Nederland was hij als schaker nog niet eens zo groot, toen hij in 1894 in Leipzig een enorm succes boekte. Hij won de tweede groep, in de eerste groep speelde de wereldtop. De FIDE bestond nog niet, maar vanwege dat resultaat werd Van Lennep meester genoemd. Daarmee was hij de eerste Nederlander met die titel.
Van Lennep maakte internationaal indruk met zijn prestatie en werd kandidaat om deel te nemen aan het toernooi in Hastings in 1895. Dat zou een legendarisch toernooi worden, met onder anderen Pillsbury, Tsjigorin, Lasker, Tarrasch, Steinitz, Schlechter en Blackburne. Alle groten van die tijd. Van de 38 aanmelders werden er 22 uitverkoren, Van Lennep werd aangewezen als eerste reserve en mag dus misschien wel worden gezien als Nederlands eerste wereldtopper. Hij kreeg zijn kans toen Gunsberg zich terugtrok, maar zag op tegen de enorme inspanning. Daarop liet Gunsberg zich alsnog overhalen mee te doen. Van Lennep ging wel naar Hastings en schreef prachtige verslagen voor het bondsblad. Die verslagen verdienden een plaats in de schaakliteratuur, uitgeverij Andriessen maakte er in 1978 een boekje van.
Lees meer >Woensdag 15 maart zal grootmeester Ivan Sokolov (2632) een training geven over “ongelijksoortig materiaal”
Stellingen met ongelijksoortig materiaal (dame tegen toren en paard, dame tegen toren en loper, dame tegen drie stukken, toren tegen twee stukken, etc.) zijn meestal vrij dynamisch en lastig te beoordelen. Ivan zal voor de uitleg andere voorbeelden gebruiken dan in zijn onlangs verschenen boek Chess Middlegame Strategies staan.
Deze sessie is bedoeld voor spelers met een elo van 1800 en hoger.
Lees meer >
Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar deze schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend.

Zoals voor alle liefhebbers van het Hollands duidelijk is geworden, is de tijd gekomen dat de beroemde/beruchte Stonewall behandeld gaat worden. De naam zegt het eigenlijk al: zwart heeft op de witte velden een soort ‘muur’ opgeworpen die in de praktijk vrij lastig te slechten valt door wit.
(Schematisch diagram 1)

Het eerste diagram geeft de basisstelling van de Hollandse Stonewall weer. De stelling vertoont door deze zwarte opstelling een redelijk gesloten stelling waarin beide spelers aan twee kanten van de pionnenstructuur hun stukken naar zo goed mogelijke velden zullen proberen te manoeuvreren. In het oog springt het ‘gat’ op e5 dat zwart heeft laten vallen. Dat veld wordt niet meer door eigen pionnen bestreken en dat houdt in dat wit daar graag een stuk (liefst een paard) naartoe zal willen spelen. Als dit paard aan de tand gevoeld wordt door een vijandelijk stuk (ook liefst een paard) zal wit in sommige gevallen graag met een stuk willen terugslaan als zwart overgaat tot een ruil. Maar vaak ook met een pion om zijn ruimtevoordeel te bevestigen. Vandaar dat sterke schakers het volgende hebben bedacht (zie het tweede schematische diagram).
Lees meer >