Schaakrubrieken weekend 8 december 2018

Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >
Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >Een tijdje geleden vertelde ik de jonge IM Robby Kevlishvili dat ik van plan was een artikel te schrijven over Lodewijk Prins. Ik vrees dat zijn reactie kenmerkend is voor zijn generatie: “Lodewijk Prins? Nooit van gehoord ….”
Tja, wie kent Lodewijk Prins nog? Zij die zich hem herinneren, en dat zullen vooral de ouderen onder ons zijn, denken dan meteen aan zijn totaal uit de hand gelopen vete met Donner, maar Prins is het waard om om geheel andere redenen te worden herinnerd. Behalve een sterk schaker was hij ook schrijver van zo’n 20 schaakboeken, scheidsrechter, en een voortreffelijk organisator. Het is beslist niet overdreven te stellen dat hij grote verdiensten heeft gehad voor het Nederlandse schaakleven. Prins werd op 27 januari 1913 geboren als Salomon Prins. Hij was van Joodse afkomst, maar daar wilde hij zelf niets van weten, en in 1931 deed hij officieel afstand van zijn Joodse achtergrond. Verder klonk de naam Salomon hem veel te Joods in de oren, en vanaf 1936 ging hij onder de zelfgekozen naam Lodewijk door het leven. Reeds op zeer jonge leeftijd (zelf sprak hij van 44 maanden) leerde hij schaken. Aanvankelijk was hij lid van de statige herenclub VAS, maar in 1931 stapte hij over naar het niet minder deftige ASC. Op 6 november 1933 kwam toenmalig wereldkampioen Aljechin een simultaan geven bij ASC, en Prins was één van de deelnemers. Het begin van deze partij ging als volgt (Prins zwart): 1. d4 b5; 2. a4 b4; 3. e4 Lb7; 4. Ld3 f5; 5. exf5 Lxg2; 6. Dh5+ g6; 7. fxg6 Lg7; 8. gxh7+ Kf8; 9. hxg8D+ Kxg8; 10. Dg4 Lxh1. Prins won de partij in 47 zetten!
Prins had eigenzinnige ideeën over de openingstheorie. Gebaande paden verliet hij zo snel hij kon, en wat hij speelde oogde vaak merkwaardig. Wat te denken van openingen als 1. e4 c5; 2. Pf3 Da5 en 1. d4 Pc6; 2. d5 Pe5, 3. e4 Pg6? Minder extreem lijkt zijn idee 1. e4 c5; 2. Pf3 d6; 3. d4 cxd4; 4. Pxd4 Pf6; 5. f3 in het Siciliaans, en de naar hem genoemde variant in het Grünfeld-Indisch (1. d4 Pf6; 2. c4 g6; 3. Pc3 d5; 4. Pf3 Lg7; 5. Db3 dxc4; 6. Dxc4 0-0; 7. e4 Pa6) was eind jaren 80 zelfs een tijdje populair omdat wereldkampioen Kasparov het opnam in zijn repertoire.
In de jaren 30 begon Prins zich te ontpoppen als een geduchte tegenstander. Hij deed voor het eerst van zich spreken door tijdens de bondswedstrijden van 1931 de schoonheidsprijs te winnen. Hij toonde zich zeer reislustig en speelde regelmatig toernooien in Engeland (Birmingham, Margate, Hastings). Ook gaf hij bij de schaakvereniging Ons Huis gratis schaakles aan werklozen, wat zijn sociale karakter tekende. In 1936 deed hij voor de eerste keer mee aan het Nederlands Kampioenschap, dat dat jaar in Rotterdam werd georganiseerd. Hij eindigde op een met Van Scheltinga gedeelde derde plaats, achter Landau en Van Doesburgh. Een jaar later maakte hij voor het eerst deel uit van het Nederlandse Olympiadeteam, dat in Stockholm een fraaie zesde plaats behaalde. Prins zou in totaal 12 keer voor ‘Oranje’ uitkomen, en zijn score van 97½ uit 166 mag worden gezien.
Lees meer >
Toen ik het boek ‘Koningen van het schaakbord’ van Paul van der Sterren in huis kreeg, las ik eerst het hoofdstuk over Max Euwe en toen dat over Magnus Carlsen. Een conclusie van mij was: de schrijver gaat er wel met grote passen doorheen, al zijn de beschrijvingen van de speelstijlen wel heel mooi. Vervolgens las ik de inleiding en zag ik tot mijn genoegen dat Van der Sterren het woord ‘beknopt’ zelf ook gebruikt. Hij schrijft verder: “Aan de hand van korte biografieën, hun beroemdste partijen en een karakteristiek van hun spel, zal ik proberen te laten zien wat deze groten zo groot maakte en wat hun betekenis was voor de schaakwereld. En passant volgen we daarmee ook de ontwikkeling van het schaakspel zelf, dat in de afgelopen tweeënhalve eeuw weliswaar hetzelfde is gebleven, maar tegelijk ingrijpend is veranderd.” Dus als ik de hoofdstukken beknopt noem, kan ik beter zeggen dat ze voldoen aan de opzet die de schrijver voor ogen had. Uiteraard staat er in de 265 pagina’s wel degelijk een heleboel informatie.
Het boek gaat over de zestien officiële wereldkampioenen die we gehad hebben. De eerste hoofdstukken gaan over de periode daarvoor.
Van der Sterren laat zien dat je Francois-André Danican Philidor (1726-1795) wereldkampioen zou mogen noemen als die titel toen al had bestaan. Partijen kan hij niet laten zien, er werd in die tijd nog niet genoteerd. Wel laat hij de bekende ‘Stelling van Philidor’ zien, een leerzame eindspelstelling.
Van de fameuze match La Bourdonnais-McDonnell in 1834 werden wel alle 85 partijen genoteerd, maar niet door henzelf. Zelf noteren was ‘ongehoord’, daar had men notulisten voor. Hierdoor is bijvoorbeeld (naast veel meer) wel de volgende stelling bewaard gebleven.
Zwart, La Bourdonnais, heeft net 37…e2 gespeeld en McDonnell gaf op, ondanks zijn enorme materiële voorsprong. Deze stelling zegt veel over wat voor fantastische partijen er in de negentiende eeuw werden gespeeld. Van der Sterren geeft die partij overigens niet. Hij laat in het boek wel partijen zien, maar vooral fragmenten. Van der Sterren: “Als iemand mij wel eens vraagt wat er nou eigenlijk zo mooi is aan het schaken, laat ik deze stelling zien.”
Lees meer >U hebt een klein probleempje met iemand. U staat voor de kantonrechter, mr. Befje, en naast u staat uw raadsman mr. Spraakwaterval. Meester Spraakwaterval kletst de blaren op zijn tong. Of het juridisch hout snijdt weet u niet. Dat hangt af van de mening van mr. Befje die achter de verhoogde tafel zit. Zou die het slikken? Kwestie van interpretatie misschien? Meester Befje doet direct uitspraak. Vordering afgewezen. U hebt de smoor in.
Lees meer >Magnus Carlsen won in Londen de WK-match, maar de Engelse sportredacties schreven er niets over. De Britten schijnen gezegd te hebben: schaken is geen sport, want er is geen bal en geen veld. Er zijn meer bezigheden waarvan mensen zich afvragen of het sporten zijn of niet.

Max Euwe bereidde zich ook fysiek voor op de WK-match van 1935.
Jan-Cees Butter, freelance-journalist, schreef er een artikel over in Trouw van vandaag. Hij sprak met Ivo van Hilvoorde, sportfilosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Hogeschool Windesheim in Zwolle en met Bettine Vriesekoop, oud-toptafeltennisster. Beiden vinden schaken een sport.
Van Hilvoorde: “Wat mensen sport vinden, heeft vaak te maken met de tradities en de geschiedenis van een land. Daarnaast zit er iets opportunistisch in: als we als land ergens goed in zijn, zijn we eerder geneigd iets sport te noemen. Ik sprak laatst een Noorse collega die zei dat er in Noorwegen nooit over schaken werd geschreven, totdat Carlsen wereldkampioen werd. Datzelfde geldt een beetje voor Nederland. Er wordt de laatste jaren veel meer over Formule 1 geschreven vanwege Max Verstappen.”
Schaken is geen fysieke sport, al vindt de filosoof stilzitten wel degelijk een enorme vaardigheid. Als voorwaarden om iets een sport te noemen, noemt hij dat het wereldwijd beoefend moet worden, dat de regels overal hetzelfde zijn, dat er een vaardigheid getest wordt en dat het een wedstrijdkarakter heeft.
Vriesekoop: “Schaken is niet zozeer fysiek als wel tactisch en mentaal. Ik denk dat mensen geen idee hebben wat er allemaal bij komt kijken. Datzelfde geldt voor tafeltennis, dat ook wel een ‘campingsport’ wordt genoemd. Terwijl het zo’n complexe sport is. Je hebt je eigen spel, maar ook het spel van je tegenstander.
Lees meer >
Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >Het is december. Vele glazen zullen deze maand gevuld worden. Maar naast glazen ook bekers! Begrijpt u dan waarom de column van Hans “De Fotograaf” heet?
Vijf jaar geleden heb ik in mijn column ‘Bekers te koop’ gepleit voor interessantere prijzen dan bekers voor schaaktoernooien. Veel is mogelijk. In Mar del Plata, waar ik in maart in het Open als tweede bij de senioren eindigde, kreeg ik als prijs duizend Argentijnse pesos (toen veertig euro nu nog ongeveer vijfentwintig).
Lees meer >
Alle twaalf partijen remise in de WK-match, heeft dat gevolgen voor de toekomst? Hans Böhm denkt van wel. Dat zei hij onder andere in het tv-programma Nieuwsuur. Hij kan zich voorstellen dat het speeltempo wordt ingekort, zodat er eerder fouten worden gemaakt. De tiebreakpartijen waren daar al een voorbeeld van, al is het verschil tussen rapidtempo en klassiek tempo natuurlijk wel groot. Een ander idee is dat het WK voortaan in een toernooi wordt verspeeld in plaats van een match. Het zijn suggesties, de FIDE moet het maar beslissen.
Op de vraag hoe Carlsen na twaalf remises opeens wel met 3-0 kan winnen in de snellere partijen, vergelijkt Böhm de Noor met Cruijff of Messi. Zij hebben het supertalent en de intuïtie dat ze ook zonder nadenken de juiste beslissing kunnen nemen. Die voetballers kunnen zomaar opeens het juiste lobje of de juiste dieptepass geven. Carlsen kan dat in het schaken beter dan Caruana. Natuurlijk is Caruana de tweede schaker van de wereld op dit moment, maar Carlsen is net als Cruijff en Messi van een niveau dat zelfs daarboven uitsteekt.
Lees meer >
“Alsof hij het ongelijk van zijn critici op ondubbelzinnige wijze wilde aantonen, won Magnus Carlsen de tiebreak van de WK-match in Londen met 3-0. Twee dagen voor zijn 29ste verjaardag stelde de Noor daardoor zijn in 2013 veroverde wereldtitel voorlopig veilig. Pas eind 2020 zal hij die opnieuw verdedigen.”
Zo begon Gert Ligterink zijn slotverslag in de Volkskrant. Cruciaal volgens Ligterink was de eerste rapidpartij, waarin Caruana de grote problemen had opgelost maar in remisestand een simpel zetje over het hoofd zag.
Carlsen was lang niet zeker van zijn stelling in de tweede partij. “Maar na die eerste partij voelde ik me kalm en zelfverzekerd.”
Na afloop zei Carlsen dat zijn spel de laatste jaren niet al te best is geweest, maar dat het in deze tweekamp een stap in de juiste richting vertoonde.
Gari Kasparov had Carlsen nog bekritiseerd over de twaalfde partij, maar zei na de barrage: “Zijn niveau in rapidpartijen is fenomenaal. We zijn allemaal zwakker als we minder bedenktijd hebben, maar Carlsens speelsterkte daalt hooguit met 15 procent.”
Het artikel van Ligterink is hier te lezen.
De Telegraaf (niet Hans Böhm) geeft een opmerkelijk citaat van Caruana: „Het was tot het laatste moment een hard gevecht met weinig krachtsverschil. Ik denk dat we samen reclame voor onze sport hebben gemaakt en ik hoop dat we een nieuwe generatie hebben geïnspireerd ook te gaan schaken.”
Lees meer >
Als je die vraag zo rond Sinterklaas en Kerstmis krijgt, weet je dat je in materiële zin behoort te antwoorden. Ik vermoed dat veel schakers daar moeite mee hebben.
Je hoeft maar tijdens het Tata Steel toernooi je blik te laten gaan langs de rijen mannen die gekleed gaan in de laatste mode van dertig jaar geleden en je weet wat ik bedoel. Aardse zaken zijn nauwelijks aan ze besteed.
Lees meer >