A Chess Biography of Rudolf Spielmann
Al een aantal maanden zit er een boek in mijn werktas. Af en toe komt het boek eruit. Elke keer neem ik me voor het weer sneller te pakken, maar de waan van de dag, week en maand houden het boek uiteindelijk alleen maar langer in de tas. Het is zonde, want het is een goed boek. En mijn recensie heeft veel te lang op zich laten wachten, waarvoor excuses aan de altijd sympathieke mensen van uitgeverij Elk and Ruby.

Mensen die mijn recensies volgden (laatste was in 2024), weten dat ik wel vaker boeken met een historisch tintje eruit licht. De combinatie van geschiedenis en ons mooie spel is wat mij betreft een goede. En ook dit boek is een goede herhaling van het beproefde concept. Auteur Bogdanovich schreef eerder ook al schaakbiografieën van Winawer en Boguljubov. De laatste heb ik eerder gerecenseerd, zie hier.
Net als in de eerdere werken, weidt Bogdanovich eerst wat uit over de geschiedenis van, in dit geval, Spielmann en gaat hij daarna in de op de schaakpartijen. Die schaakpartijen zijn onderverdeeld op thema’s, startend met vier grotere hoofdstukken en gevolgd door negen kleinere hoofdstukken met vaak minder voor de hand liggende thema’s. In de bijlage heeft hij tot slot een, naar zijn zeggen, niet eerder vertaald stuk van Spielmann zelf genaamd in het Engels “From the sickbed of the King’s Gambit’. Voordat ik wat voorbeelden geef, nog even een reden waarom ik dit soort boeken van spelers uit het verleden zo graag koop: motivatie! Allereerst omdat het spel pre-computertijdperk soms zo begrijpelijk zijn. Natuurlijk, het niveau is vaak ook boven dat van de meeste amateurs, maar de partijen geven je het idee dat je het zelf (op een goede dag) ook kan. Ten tweede haal ik vaak openingeninspiratie op uit dit soort boeken. Zeg nou zelf, hoe kan je je tegenstander beter verrassen, dan met een 100-jaar oud nieuwtje…
Lees meer >
Wekelijks publiceren we de schaakrubrieken van Dimitri Reinderman voor HDC Media, Henk Prins voor het Reformatorisch Dagblad, Nick Maatman voor Dagblad van het Noorden / Leeuwarder Courant en Hans Ree in de Groene Amsterdammer.
Jarenlang gaf ik les aan clubschakers. Het waren cursussen die ik zelf organiseerde in mijn toenmalige woonplaats Eindhoven. Een zaaltje was zo geregeld, maar vervolgens begon de werving en dat was – dacht ik – niet zo eenvoudig. Achteraf bleek dat, zeker in het begin, mee te vallen omdat er juist bij veel clubschakers een grote behoefte bestaat aan het krijgen van schaaktraining. Dus toen ik de aankondiging voor een schaaktraining op een paar websites had gezet en er ook in geslaagd was om flyers bij de grote verenigingen te verspreiden, bleken er snel zo’n 20-25 schakers bereid te zijn om naar Eindhoven te komen voor een doordeweekse trainingsavond van 2½ uur waarin uiteraard de nodige interactie en diverse oefenvormen op het menu stonden. Voordat ik mijn leerplan voor acht avonden en de specifieke invulling (inclusief werkvormen) begon uit te werken, nam ik contact op met de KNSB om er eens achter te komen wat nou de gemiddelde rating was van de bij de bond aangesloten leden. Normaal delen zij dit soort gegevens niet (en terecht!) maar er kon mij meegedeeld worden dat de speelsterkte tussen 1500 en 1600 zat. Ik had daar al zo’n vermoeden van, maar het was een duidelijk signaal dat veel trainers veel te moeilijke stof aanbieden aan het gros van de mensen. Dat ging ik anders doen! Moeilijke onderwerpen makkelijker maken en uiteraard differentiëren in de oefeningen. Voor de betere schakers tijdens dit soort cursussen had ik aparte kaartjes of bladen met oefeningen klaarliggen. De intentie was wel om de groep op de gemiddelde speelsterkte te bedienen tijdens de instructie. Deze cursussen heb ik zo’n 20 jaar volgehouden met afwisselende bezettingen.
Vorig jaar tijdens het toernooi van Hoogeveen stapte er voorafgaande aan een ronde ineens een heer op mij af, stelde zich voor, vertelde dat hij een kleine serie schaakboeken in eigen beheer aan het ontwikkelen was, of ik een recensie wilde schrijven over (of meer) van deze boeken. Hij had al een eerste boek
Wanneer wordt het schaken een volkssport? Dat vroeg ik me serieus af na de afgelopen zondag (25 januari) toen zich een gedenkwaardig moment voordeed bij de Masters. Ondanks een zeer matige start was onze ‘overgrootmeester’ (zoals we Anish Giri zo langzamerhand wel mogen noemen) bezig aan een comeback. In de ronde ervoor had hij de wereldkampioen, Dommaraju Gukesh aan zijn zegekar gebonden en in de achtste ronde speelde Giri – wederom met zwart – een uitstekende partij tegen de Oezbeekse topspeler Nodirbek Abdusattorov.


