Krantenrubriek 16 januari 2021

Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >
Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >
Hans Bouwmeester is de oudste nog levende schaakmeester van Nederland. Hij is inmiddels 91 jaar en zijn gezondheid is niet meer die van een jonge man. Maar ons gesprek was uitermate onderhoudend. Ik ken Hans nog uit mijn tijd bij Schaakclub Utrecht. Maar ik maakte al veel eerder kennis met hem. Zoals waarschijnlijk veel schakers begin jaren zeventig, verslond ik de Prismaboekjes waarvan hij, in samenwerking met onder anderen Bert Kieboom, de auteur was.
Op een goede dag meende ik een fout in een van de boekjes gevonden te hebben. Wij spraken elkaar (ik meen over de telefoon) en ik ging op de fiets van Harmelen (waar ik woonde) naar Vleuten, de woonplaats van de beroemde schaker en auteur. Hij ontving me uitermate gastvrij en ik liet hem de vermeende fout zien. Al snel bleek dat de fout in mijn hoofd zat en niet in de tekst. Gelukkig moesten we er beiden om lachen.
Pas jaren later ontmoetten wij elkaar af en toe weer. Deze keer in de zalen van het roemruchte SC Utrecht. Daar gaf hij soms ook schaaktraining. Hij deed het op een nauwgezette en zeer methodische wijze. Op een van die avonden liet hij zien hoe je de Pirc met zwart moest aanpakken. De kern van zijn betoog was dat je e5 moest proberen door te zetten. Na meer dan een uur training stak Lucas Bunge (een goede bekende van Hans) zijn vinger op en vroeg op plagerige toon:
“Maar Hans, als het zoveel moeite kost om e5 te spelen, waarom doe je het dan niet op de eerste zet?”
De zaal proestte van het lachen. Of de opmerking van de lolbroek bij Hans in goede aarde viel weet ik niet meer precies. Maar ik vermoed van niet. Daarvoor was hij te gedreven en serieus bezig.
Die gedrevenheid blijkt ook uit zijn verhalen over vroeger. In de Tweede Wereldoorlog ging hij naar de HBS. Maar hij kon zijn school pas na de oorlog afmaken. Daardoor ontstond er een probleem. Nederland was weliswaar bevrijd, maar we wilden ons koloniale bezit Nederlands Indië weer onder controle brengen en lieten ons verleiden tot een uitermate vervelende oorlog. Eufemistisch omgedoopt tot ‘politionele acties’. Hans vond dat nogal dom en deed er alles aan om onder de dienstplicht uit te komen. Maar hoe? Hij en zijn ouders waren verarmd door de oorlog. Dus was er geen geld voor een opleiding (mh – een reden tot uitstel van het vervullen van de dienstplicht). Tot overmaat van ramp werd hij ook nog goedgekeurd voor de gang naar Nederlands Indië. Hij zegt daarover:
“Ik was vastbesloten om niet te gaan. Ik had toen al contacten met talloze schakers over de grens. Desnoods smeer ik hem naar het buitenland!”
De redding kwam in de vorm van de kweekschool. Er was een groot tekort aan onderwijzers en hij kon een verkorte opleiding van 2 jaar volgen. Dat gaf hem net voldoende uitstel van militaire dienst om de ellende in de Oost te ontlopen. Uiteindelijk moest hij toch zijn dienstplicht vervullen en werd munitiesjouwer 2e klasse.
Na zijn diensttijd ging Hans het onderwijs in en gaf les op lagere scholen in Amsterdam en later in Gouda. Hij besloot om naast zijn baan wiskunde te gaan studeren. Dat ging in twee stappen. Destijds moest je staatsexamens doen. Dat was niet mis en een hele prestatie als je daarvoor slaagde. Het examen voor het tweede deel werd afgenomen door hoogleraren. In zijn geval Professor vd Woude. Dat was een uitstekende schaker. Hans had ooit van hem gewonnen. De prof zei op plechtige toon:
Lees meer >Van Klaas Marck kregen wij de volgende vragen. Is er een lezer die hier iets over weet, of iemand kent die er meer van zou kunnen weten?
Schrijvend aan een korte biografie over mijn vakgenoot Jan Esser stuit ik op het volgende probleem.
Zowel in het proefschrift van Barend Haeseker ‘Dr. JFS Esser and his contributions to plastic and reconstructive surgery’ (1983) als in ‘Het Tomeloze leven van Johannes Esser’ (2002) van journalist Ton Neelissens is te lezen dat Jan Esser in zijn middelbare-schooltijd de schaakclub Morphy heeft opgericht, en wel op 28 december 1893. Ook schrijft Neelissen dat Lasker in 1988 Leiden bezocht en gast was van de studentenschaakclub Alapin, waarvan Jan Esser de president was. Beide auteurs drukken in hun boek ook foto’s af (zie bijlagen).
Ik betwijfel of Jan Esser in zijn middelbare-schooltijd een schoolschaakclub heeft opgericht die Morphy werd genoemd. Waarom zou hij dat doen wanneer al in 1863 in Leiden bij het Leids Studenten Corps een gelijknamige club was opgericht? Kijken we naar de afbeelding ‘Esser scholierenschaakclub Morphy 1896′, dan is mijn indruk dat we niet naar scholieren kijken, maar naar studenten, die voor zich het portret van Morphy hebben staan.
Over studentenschaakclub Alapin vind ik op internet bij haagseschaakbond.nl/content/view/394/43/, een bijeenkomst waar Haeseker sprak en ook Hans Ree. Hier wordt vermeld dat Esser Morphy oprichtte in 1893 (als scholier) en later voorzitter was van de studentenschaakclub Alapin. Dat komt mij voor als merkwaardig. Esser was lid van het Leids Studenten Corps en dus vrijwel zeker ook lid van het veel eerder opgerichte Morphy.
Ook vind ik deze in mijn ogen foutieve informatie terug op oudzuylenutrecht.nl/esser-en-leussen/ een bijdrage van ene Robert Beekman uit 2016 bij Schaakclub Oud Zuylen.
Lees meer >
Om maar meteen te beginnen met een waarschuwing: dit is niet het gebruikelijke schaakboek. Dat blijkt al uit een paar droge feiten: er staan maar vijftien diagrammen in het hele boek, wel vijf dichtbedrukte pagina’s bibliografie en een paar honderd citaten die afkomstig zijn van een breed spectrum aan wijzen (van Plato via Kubrich en Osho naar Carlsen, Spassky en Aronian). Verwacht dus geen partijen, schaakpuzzels om op te lossen of technische verhandelingen over dubbelpionnen of het benutten van het initiatief in een partij.

Wekelijks publiceren of verwijzen wij naar diverse schaakrubrieken. Wij streven naar publicatie op de woensdag na het voorgaande weekend. Wij proberen de besproken partijen in een viewer te tonen.
Lees meer >Aapjes kijken
Een delegatie van maar liefst 7 uitverkorenen van schaakclub Sneek bracht gistermiddag een bezoekje aan de dierentuin van Wijk aan Zee. Met opa Dirk, oom Anne en de neefjes Wytse, Ger, Tjitze, Johnny en Julius werd koers gezet richting het enige echte schaakwalhalla ‘Corus’ waar de diersoort schaker aanschouwd mocht worden.
Reden van dit alleraardigste uitstapje was de KNSB-prijs die onze club ten deel viel voor de grootste ledengroei in 2007.
Lees meer >Uit de zaterdag-bijlage van RD op 5 december 2020
Het mag een goede tijdsbesteding zijn om op lange winteravonden puzzels op te lossen. Het oplossen van schaakproblemen is vaak ook bezig zijn met een puzzel. “De stukjes van de puzzel zo plaatsen” om de goede oplossing te vinden van een schaakprobleem past dus prima in dit Winterpuzzelboek. Het is inmiddels een traditie geworden. Voor schakers die graag iets doen met schaakstukken dus een goed idee om met deze schaakpuzzel mee te doen.

Een fantastische foto, genomen aan de vooravond van het Hoogovenschaaktoernooi in 1964.
Bent Larsen (28) lijkt de grote Paul Keres (48) voor het eerst te ontmoeten. Jan Hein Donner (36) ziet er uit als een soort bemiddelaar tussen de oude en nieuwe generatie.
Let ook op kleding en expressie.
Lees meer >
Strategie, tegenstrategie en blokkade van de tegenstrategie. Daar gaat deze column over.
We beginnen met een schaakvoorbeeld. In de partij Karpov – Unzicker (Olympiade Nice, 1974) had wit zijn toren op de a-lijn staan en wilde ook de andere toren op de a-lijn krijgen (de strategie). De tegenstrategie van zwart is om de toren af te ruilen. Lees de hele column in PDF.
Ondanks de lockdown, of misschien wel dankzij de lockdown, schijnen schaakuitgeverijen er een sport van te maken om zoveel mogelijk boeken uit te brengen. Ook begrijpelijk: nu iedereen letterlijk aan huis gekluisterd zit, hoe kun je dan beter je tijd besteden aan een mooi schaakboek!
Als coördinator van de boekenrubriek op Schaaksite heb ik het voorrecht dat ik (als contactpersoon) soms van uitgeverijen een pakketje ontvang waarin de nodige schaakboeken zitten. Vooral New in Chess is erg scheutig met het opsturen en daarvoor ben ik ze zeer dankbaar. Het is voor mij onmogelijk om ze allemaal helemaal van kaft tot kaft te lezen. Maar dat hoeft ook niet om te bepalen of je een boek wel of niet goed vind. Ik bespreek hieronder vier boeken waarvan ik vind dat die voor clubschakers zeer de moeite waard zijn.
Zlotnik’s Middlegame Manual door Boris Zlotnik
Met als ondertitel: Typical Structures and Strategic Manoeuvres
Een boek dat mij als schaaktrainer als muziek in de oren klinkt. En als er dan ook nog een voorwoord geschreven is door de huidige nummer twee van de wereld, Fabiano Caruana, is de nieuwsgierigheid meteen aangewakkerd. De Rus IM Boris Zlotnik blijkt jarenlang de trainer van Caruana geweest te zijn. De Rus was lange tijd de directeur van ‘the legendary Chess Departement of the INEF College in Moscow’. Toen hij in 1993 emigreerde naar Spanje werd hij de trainer van de toen 12-jarige Caruana die met zijn familie naar Madrid verhuisden om ervoor te zorgen dat het jonge talent dicht bij zijn trainer woonde. Meer aanbeveling heeft Zlotnik niet nodig!
De indeling van het boek ziet er grofweg zo uit:
Lees meer >